Top Bar Hive

Uit Imkerpedia

Ga naar: navigatie, zoeken
Alleen toplatten.
Een TBH kun je tamelijk flexibel vergroten of verkleinen m.b.v. een tussenwand.
Een TBH afgesloten met een deksel.

Omschrijving van kenmerken

Een Top Bar Hive (TBH) is letterlijk vertaald een Boven Lat Kast, maar in het Nederlands spreken we meestal van een lattenkast (of ook wel toplattenkast). De Top Bar Hive is een bijenkast waarin de bijen hun raat alleen (dat is althans de bedoeling) aan bovenlatjes vastmaken (en dus niet in raampjes, en ook niet aan de wanden van de kast).

Die bovenlatjes hebben dan een breedte van 3,5 centimeter[1] met aan de onderkant een raat-beginnetje van kunstraat (of door - aan - de onderkant driekantig te maken en dit met een beetje was in te smeren).

Er wordt voorkomen dat de bijen de raten aan de kastwanden vast maken door die kastwanden schuin naar binnen te laten lopen.

De bijen zouden die kast wanden dan als bodem interpreteren en hier minder aan vast bouwen.

Ook als de bijen er wel aan vastbouwen dan is het naar boven halen van een dergelijke raat toch gemakkelijker (want er ontstaat bij optillen sneller enige afstand tussen raat en wand; een verticale raat moet je immers helemaal tot boven de kast tillen voordat deze los is van de kast).

Door de schuine wanden is ook de vorm van de raten natuurlijker, in die zin dat er geen lege hoeken aan de raat zitten.

Het oogsten van de honing gebeurt meestal met behulp van een honingpers, maar met behulp van een labor-doos kunnen deze raten zelfs worden geslingerd.

Bouwtekening(en) van de Top Bar Hive kun je hier vinden.

Omschrijving vanuit historie

De Kenya top-bar hive (KTBH) is ontwikkeld in een samenwerking tussen bijenteelt-experts uit vele landen. De eerste aanzet daartoe kwam van Penelope Papadopolou die in de jaren zestig van de vorige eeuw de Greek hive (Griekse korf) met top bars in Rhodesië (nu Zimbabwe) introduceerde.

De behoefte om de bijenteelt met traditionele, lange cylindrische kasten en korven in de Afrikaanse bijenteelt te verbeteren met een zogenaamde intermediate hive, een eenvoudig tussenmodel tussen traditionele fixed-comb hives en moderne movable-comb hives, won steeds meer veld. De Top Bar Hive is voornamelijk ontwikkeld in Londen (Tredwell & Paterson, 1965), in Guelph (Canada) en in het National Beekeeping Institute (Kigatiira, Paterson & Muya) in Nairobi. Vandaar uit zijn verschillende modellen van de Top Bar Hive naar verschillende landen in Afrika verspreid.

De lengte van de kast komt overeen met die van de traditionele kasten en korven en de lange kasten in Europa. De bovenlatten van de top-bar hives hebben een vorm, wigvormig of met een richel of groef, en een breedte (gewoonlijk 32 mm voor de Afrikaanse honingbij, als je in Nederland met onze honingbij werkt dan moet je eerder aan 35 mm of breder tot 38 mm denken) die ervoor zorgen dat de bijen de raten precies langs de lat bouwen, ook al lukt dat niet altijd. Criss-cross bouw komt nogal eens voor bij wilde bouw. De bijeningang, bestaande uit een aantal ronde openingen, zitten in Kenia doorgaans aan de korte zijkant maar men gebruikt ook wel een langwerpige spleet aan de lange kant. In Ghana zijn het driehoekjes, om te voorkomen dat de doodshoofdvlinder naar binnen kan (Stephen Adjare, 1988). In Tanzania en in Congo wordt een kast met rechthoekige zijwanden gebruikt, wat het voordeel van een groter volume oplevert. Dit is nodig omdat de vegetatie daar veel rijker is. De bijen bouwen de raten doorgaans alleen vast aan de bovenkant van de zijwanden vast en die kunnen gemakkelijk losgesneden worden. Ook de vorm en het volume verschillen nogal eens, en natuurlijk de materialen. Hout kan vervangen worden door bamboe met klei, klei of as gemengd met koeienstront, door riet, rafia, plastic en allerlei mogelijke mengsels.

Citaat uit het Maandschrift voor Bijenteelt[2]

Nog steeds is de traditionele bijenteelt overheersend en worden bijenvolken gehouden in cilindervormige behuizingen van allerhande materiaal. Over bijenteelt in de ware zin des woords valt eigenlijk niet te spreken en het zijn nog steeds de bijen die door hun ontwikkeling bepalen of de “bijenman” zal komen om het nest open te breken en de raten met broed en honing te verwijderen. Deze handelwijze heeft uiteraard een negatieve invloed op de produktie van honing en was en op het totale bijenbestand. Om deze situatie in positieve zin te doorbreken werd in 1971 een bilateraal verdrag gesloten met Canada en na veel vruchtbaar denkwerk is een model bijenkast ontwikkeld die uitermate geschikt is voor gebruik in landen met een beperkt financieel vermogen. Het is de Kenya top-bar-hive (de boven-latjeskast) zoals eerder beschreven in het Groentje van december 1982 met als hoofdkenmerken “niet duur, losse latjes waaraan de raten worden gebouwd en met eenvoudige middelen in elkaar te zetten” . In de afgelopen jaren zijn reeds meer dan 100.000 exemplaren onder de plattelandsbevolking gedistribueerd en een toenemende honingproduktie valt nu reeds waar te nemen. Volgens het ministerie tot bevordering en ontwikkeling van kleinvee bezit Kenya de mogelijkheid jaarlijks 80-100.000 ton honing te produceren en 8-10.000 ton was. Met de huidige traditionele manier van bijen exploiteren liggen de cijfers veel lager nl. 10.000 ton honing en 300 ton was jaarlijks. Volgens de heer Boniface Kinyua Njagi, leider van de sectie bijenteelt te Lenana, worden de top-bar-hives op een hoogte van 90 cm boven de grond tussen palen aan een touw gehangen, zodat de volken niet zo eenvoudig door honing-etende vijanden kunnen worden benaderd. Ook in Kenya wordt de imker aangemoedigd bijenplanten rond de bijenstal te zaaien/planten. In de top-bar-hive kunnen 26 latjes worden gehangen met een latbreedte van 32 mm. Door de losse bouw wordt een volk niet meer in z’n geheel uitgebroken, maar worden alleen de raten gevuld met honing verwijderd om te worden uitgeperst.

Datering

Heden

Voorkomen

Van oorsprong vooral in veel Afrikaanse landen waaronder Nigeria, Kenia, Zimbabwe, Tanzania, Congo, maar inmidddels ook in veel westerse landen, en ook in onze Lage landen.

Navigatie

Voetnoten

  1. De verschillende ondersoorten van onze Westerse honingbij hanteren verschillende bijenruimten en raatafstanden. De genoemde 3,5 centimeter geldt voor de in onze Lage landen gebruikte (kruisingen van) ondersoorten.
  2. Ko Zoet. Kenya, grote mogelijkheden voor de bijenteelt en een bijenavontuur in Nigeria. Maandschrift voor Bijenteelt, mei 1985
Persoonlijke instellingen