Top Bar Hive

Uit Imkerpedia

Ga naar: navigatie, zoeken
Alleen toplatten.
Een toplattenkast kun je tamelijk flexibel vergroten of verkleinen m.b.v. een tussenwand.
Een toplattenkast afgesloten met een deksel.

Omschrijving van kenmerken

Een Top Bar Hive (TBH) is letterlijk vertaald een Boven Lat Bijenwoning, maar we spreken in het Nederlands meestal van een toplattenkast.

In de toplattenkast zitten geen ramen. De bijen worden geacht hun raat alleen aan de toplatten vast te maken. Die toplatten zitten direct - zonder tussenruimte - tegen elkaar zodat ze de bijenkast dus ook aan de bovenkant afsluiten.

De toplatten hebben een breedte die overeenkomst met de natuurlijke raatafstand[1]. Om te bewerkstelliggen dat de bijen hun raat netjes onder de toplatten bevestigen (oftewel geen warbouw, maar per toplat één bijenraat) is er uiteraard wel enige sturing nodig, zoals bijvoorbeeld:

  • het monteren van een smal reepje startraat,
  • het bevestigen van een satehprikker,
  • het driekantig maken van de onderkant - of het monteren van een driehoeking latje - en dan de onderste hoek insmeren met een beetje was.

Wereldwijd bestaan er zowel toplattenkasten met rechte als met schuine zijwanden.

Omschrijving vanuit historie

Bijenwoningen met toplatten worden al lang gebruikt. Denk bijvoorbeeld aan de Griekse korf, en veel later de achterbehandelingskasten van Dzierzon. De hier bedoelde toplattenkasten zijn echter een doorontwikkeling van de eerste.

Nadat de Griekse korf in 1682 dankzij Sir George Wheler ook in Engeland en elders bekend werd, publiceerde ene J.A. (waarschijnlijk John Aubrey[2]) al in 1683 een op hetzelfde principe gebaseerde kast met toplatten en schuine zijwanden. Deze publicatie is door bijenwoning-onwikkelaars van latere datum echter niet opgepikt.

Het ontstaan van de moderne toplattenkasten hebben we te danken aan verschillende pogingen in de jaren zestig van de 20e-eeuw om de productiviteit van het Afrikaanse bijenhouden te verbeteren. De op Langstroth gebaseerde bijenkasten waren voor het Afrika van dat moment zowel kwa kosten als kwa technologie een brug te ver. De Afrikaanse honingbij reageert bovendien veel geagiteerder dan onze honingbij op het openen van de gehele bovenkant van een bijenkast.

In 1965 publiceerde Penelope Papadopolou over haar succesvolle introductie van de Griekse korf in het huidige Zimbabwe[3][2]. In datzelfde jaar bouwden Tredwell en Paterson in Engeland een op de Griekse korf gebaseerde kast met schuine zijwanden. In tegenstelling tot de eerder genoemde kast van J.A. gebruikten zij echter de juiste breedte van de toplatten en ook werd in de extra benodigde ruimte (i.c. een halve bijenruimte) aan de buitenkast van de eerste en laatste toplat voorzien. De later werelwijd bekend geworden Kenya Top Bar (KTB) is een opvolger van deze toplattenkast.

Ook in Tanzania is een toplattenkast ontstaan, voortkomend uit het aldaar oorspronkelijke gebruik van horizontale houtstammen. De Tanzaniaanse toplattenkast heeft echter geen schuine zijwanden.

De toplattenkasten blijken goed in de Afrikaanse omstandigheden te functioneren. De toplatten hebben aan de onderkant een spitse vorm en een breedte van 32 millimeter[4]. De vliegopening bestaat doorgaans uit een aantal ronde openingen, maar het kunnen ook spleten zijn. Inmiddels kunnen op verschillende Afrikaanse plaatsen echter zowel de vorm, de grootte als de constructiematerialen van de toplattenkasten van elkaar verschillen afhankelijk van de lokale mogelijkheden en omstandigheden. Er zijn zowel constructies in warm- als in koudbouw.

De toplattenkast in de Lage landen

Hoewel de toplattenkast is ontwikkeld voor Afrikaanse omstandigheden kan deze ook in de Lage landen worden toegepast.

Dit betreft dan zonder uitzondering de Keniaanse variant met schuine zijwanden, omdat de bijen daar minder raat aan vastbouwen[5]. Bovendien, als de bijen er wèl aan vastbouwen dan is het naar boven halen van een dergelijke raat gemakkelijker dan bij een verticale zijwand. Er ontstaat bij optillen immers sneller enige afstand tussen raat en wand. Een stuk raat aan een verticale wand moet je helemaal tot boven de kast tillen voordat deze los is van de kast.

Ook bij ons is het controleren van een toplattenkast (met het telkens van slechts één spleet) vaak veel rustiger dan een controle van een reguliere bijenkast, maar er zitten uiteraard ook wel nadelen aan de toplattenkast die vooral met de breekbaarheid van de raten te maken hebben. Ook is de varroabestrijding in de toplattenkast lastiger.

De Afrikaanse honingbij heeft (o.a. door het veelvuldige zwermen) veel minder last van de varroamijt dan onze honingbij zodat de varroabestrijding daar niet speelt.

Enkele aanbevelingen

  • In een hoge toplattenkast (30 centimer of hoger) komt er veel honing boven het broednest (oftewel direct onder de toplat) terecht. Deze honing is miet oogstbaar. Met lagere toplattenkasten heb je meer kans op oogstbare raten met alleen honing.
  • Bij lagere toplattenkasten breken de raten minder snel af. De breekbaarheid van de raat kan ook worden vermindert door het midden in elke toplat aanbrengen van een sterke verticale spijl.
  • Warmbouw heeft de volgende voordelen:
    • Als het broednest meer ruimte nodig heeft dan kun je vooraan simpelweg een extra toplat invoegen (en de rest naar achter schuiven).
    • Middels een flexibele tussenwand kan de inhoud van de toplattenkast goed op de grootte van het volk worden afgestemd. In warmbouw kan dit zelfs al vanaf heel klein.
  • De honing kan met behulp van een honingpers uit de geoogste raat worden gekregen, en met behulp van een labor-doos kunnen deze raten zelfs worden geslingerd. Al met al is het uiteraard wel meer geklieder dan met de honingramen uit reguliere kasten.

Bouwtekening(en) van de toplattenkast kun je onder deze link vinden.

Datering

Heden

Voorkomen

Van oorsprong vooral in veel Afrikaanse landen waaronder Nigeria, Kenia, Zimbabwe, Tanzania, Congo, maar inmidddels ook in veel westerse landen, en ook in onze Lage landen.

Navigatie

Voetnoten

  1. Let wel: de verschillende ondersoorten van onze Westerse honingbij hanteren verschillende bijenruimten en raatafstanden. Voor de in onze Lage landen gebruikte (kruisingen van) ondersoorten geldt een toplatbreedte van 35 millimeter.
  2. 2,0 2,1 Ethal Eva Crane. The World History of Beekeeping and Honey Hunting. 1990
  3. Het toenmalige (Zuid-) Rhodesie.
  4. Een breedte specifiek voor de Afrikaanse honingbij.
  5. De raten van het broednest worden daarbij nog weer minder snel aan de schuine zijwanden vastgemaakt dan de raten met honing.
Persoonlijke instellingen