Apis mellifera intermissa

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
De donkere tellbij heeft op het achterlijf slechts smalle nauwelijks zichtbare viltbanden.

De Apis mellifera intermissa (in het nederlands: de tellbij) is een van de kleine dertig ondersoorten[1] binnen de soort Apis mellifera (onze westerse honingbij).


De tellbij vormt in het Noorden van Afrika de "tussengeschoven verbinding" (vandaar intermissa) tussen de "Europese" ondersoorten en de ondersoorten van tropisch Afrika. De tellbij heeft een enorm verspreidingsgebied van meer dan 2500 kilometer. Ze bewoont, vanaf de Atlantische Oceaan van Marokko tot aan Tunesië, de bergachtige streken tussen de Middellandse Zee en de Sahara. Het zal niet verwonderen dat er binnen dit grote verspreidinsgebied verschillende ecotypen te onderscheiden zijn. Qua omvang (hoeveelheid bijenvolken) hoort de tellbij tot de grootste ondersoorten.

De tellbij heeft in haar verspreidingsgebied gebied te maken met hete droge zomers van zo'n vier tot vijf maanden en koele winderige winters met onregelmatige regenbuien en vriesnachten. Dit resulteert in twee drachtperioden, een eerste (een korte lente) van eind april tot begin mei en een tweede in oktober-november. In beide perioden heeft de tellbij een broedpiek, en beiden perioden kunnen uitmonden in zwermen.


De droge bloemloze zomer vereist van de tellbijen een enorm overlevingsvermogen, en in deze periode zijn de volken geheel broedloos. Zoals onze honingbij goed moet weten te overwinteren moet de tellbij goed weten te "overzomeren". Wanneer de winterregens te lang uitblijven gaan de meeste telbijenvolken ten gronde. Andere (geïmporteerde) ondersoorten hebben hier geen kans om zelfstandig (zonder imker) te kunnen overleven.

De tellbij is dermate gevormd door deze omstandigheden dat dit dracht/broedritme grotendeels erfelijk vastligt. Volgens broeder Adam[2] behielden tellvolken ook in Engeland na de herfst nog een uitgebreid broednest tot in de winter.


Bij goede dracht richt de tellbij dus direct alle energie op broedaanzet, en vervolgens op het zwermen. Alleen zo kunnen de verliezen van de droogteperiodes weer worden ingelopen. Net als bij de verwante Siciliaanse honingbij worden er bij de zwermvoorbereidingen zeer veel zwermcellen opgetrokken. Bij de tellbij zijn dat er meestal meer dan honderd! De tellbij geeft dan ook veel nazwermen. Zo maakte broeder Adam in de Algerijnse oase Laghouat mee dat een tellbijvolk zeven zwermen afgaf tot in het oorspronkelijke volk nog slechts een handvol bijen overbleef. De tellbij is echter bijzonder vitaal: ook deze kleine hoeveelheid bijen bleek in staat om in het volgende seizoen weer tot een sterk volk uit te groeien.

In het afgezwermde volk kunnen meerdere jonge koninginnen vreedzaam naast elkaar leven totdat één van hen terug keert van een succesvolle bruidsvlucht. Vanaf dan zijn de andere jonge koninginnen niet meer welkom.


Als een tellvolk moerloos wordt dan ontstaan er al na een paar dagen eierleggende werksters. Dat is veel sneller dan bij andere ondersoorten van de Apis mellifera[3].


De tellbij heeft een nagenoeg ononderbroken zwart chitinepantser, de viltbanden zijn nauwelijks zichtbaar. Ze is duidelijk kleiner dan de Europese ondersoorten, maar ze heeft een grotere cubitaal index. De tellbij heeft een grote verdediginsdrang en vertoont bij het openen van de kast tamelijk nerveus gedrag (er kunnen dan heel veel bijen de kast uitlopen). Ze maakt overvloedig gebruik van propolis.


Onderstaand een filmpje met een fouragerende tellbij in Marokko.


Voetnoten

  1. Binnen Imkerpedia onderscheiden we soorten, ondersoorten (rassen), stammen en lijnen.
  2. A.Schotanus. Over bijensoorten, -rassen, -stammen en lijnen, paragraaf 1.7. Maandblad Vlaamse Imkersbond, 1998, nummer 10.
  3. Eierleggende werksters van de Kaapse honingbij leggen daarentegen ook in aanwezigheid van een moer al volop - en dan zelfs diploïde - eitjes.