Apis mellifera mellifera

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Apis mellifera mellifera (ook wel 'zwarte bij' of 'nigra') is een van de rassen binnen de soort Apis Mellifera.

Toen Linnaeus de Apis mellifera voor het eerst beschreef, kende hij alleen de in Zweden voorkomende honingbij. Pas later leerde hij de andere rassen kennen en voegde hij de rasnaam mellifera toe aan de soortnaam mellifera.


Deze bij, ook wel bruine of zwarte bij genoemd, werd van origine in geheel West- en Noord-Europa tot aan de Oeral aangetroffen, en heeft zich daar sinds de laatste ijstijden (zo'n 10.000 jaar geleden) aan onze klimaatzone aangepast. Zowel aan de lange winters in Rusland, de koude aan de Poolgrens, als aan de natte zomers in Noord Europa. Sinds de introductie door mensenhand (1622) in Noord Amerika heeft ze zich ook daar goed aangepast. De voorjaarsontwikkeling gebeurt langzaam, maar houdt het hoogste ontwikkelingsniveau tijdens de zomer lang stand.


Doordat bijenhouders ook andere rassen in onze omstreken (en Amerika) hebben geïntroduceerd is er een dermate bastaardisering opgetreden dat de Apis mellifera mellifera nauwelijks nog (en wellicht niet meer) zuiver voorkomt. Her en der zijn er reservaatjes om (zoveel mogelijk van) de laatste restanten in stand te houden. Zie:




De Zwarte Bij: Apis mellifera mellifera Linnaeus 1758 (oorspronklijke tekst Oude Essink)

Bestand:Llinn1 portret.jpg

Toen Linnaeus de “honingbij” (“ apis mellifera”) beschreef, kende hij alleen de in Zweden inheemse donkere bij. Pas later leerde hij van dezelfde melliferasoort andere rassen kennen en voegde hij de rasnaam mellifera toe aan de soortnaam mellifera.


Bestand:Amm1 afbeelding.jpg

Deze bij is het oertype van de Europese honingbij; na de ijstijden (plm.8000 v.C.) zwermt deze bij met het zich verbeterende klimaat mee , vanuit Zuid Frankrijk, waar zij de ijstijden overleefde, of misschien N.Afrika, naar West, Noord en Oost Europa en zij ontwikkelt zich tot dé Europese honingbij van Pyreneeën tot de Russische Oeral; van Z.Frankrijk tot ver in Scandinavië. Zij leeft verwilderd in de wouden of wordt door imkers gehouden in Klotzbeute of korven. Imkers breiden haar gebied uit en brengen de bij tot aan de Poolgrens in het N. en tot ver in Siberië in het O. , waar nog in de 19e eeuw 100kg.Lindehoning per volk wordt gewonnen in dat barre klimaat. Vanaf 1622 wordt dezelfde bij overgebracht naar N.Amerika, waar de wouden een waar paradijs voor haar zijn; nog steeds overtreft zij daar verre in aantal de carnica’s en ligustica’s, die in de 19e eeuw binnenkwamen. Door geografische en klimatologische verschillen in het enorm uitgebreide gebied van Europa treden nuanceverschillen op en spreken wij afhankelijk van de herkomst over: De “bruine” bij, de “zwarte”, (de a.m.m.nigra uit Zwitserland en Oostenrijk sluit nauw aan bij de meer bruine Zuid Franse die door Broeder Adam werd gebruikt), de “donkere”, de “Hollandse” of de “Duitse” bij en van de “Heidebij”. De “Engelse bij” werd door kolonisten naar Australië en Nieuw Zeeland gebracht en zo werd langzamerhand de apis mellifera mellifera de alomtegenwoordige wereldhoningbij.


Bestand:Amm2 afbeelding2.jpg

In Zuid Frankrijk kan men de donkere bij nog redelijk zuiver aantreffen; maar ook in Noorwegen, Engeland, Polen, Rusland,of in bepaalde gebieden van Oostenrijk is zij nog te vinden.Hier in Z.Frankrijk, vliegend op de peer.

De Donkere Bij is bijzonder sterk en vitaal; de massale sterfte in Zuid Engeland door de Tracheeënmijt(1916 – 1925) was zeer uitzonderlijk en aan bijzondere omstandigheden te wijten. De bij heeft een grenzeloos aanpassingsvermogen: de lange winters in Rusland of de snijdende koude aan de Poolgrens doorstaat zij even goed als de natte zomers in Noord Europa of de geheel andere omgeving in de wouden van N.Amerika. De bij heeft een onrustige raatzit, is erg zwermlustig en komt pas laat in het seizoen op gang . Deze laatste eigenschappen en een aantal ontwikkelingen in landbouw en imkerij zijn er de oorzaken van, dat de a.m.m. vanaf de 19e eeuw sterk wordt teruggedrongen. 1.Rond 1850 vindt men het imkeren met “losse ramen” uit; een revolutionaire ommekeer.

Amm3 afjagen.jpg

een munt uit de verzameling van Piet Vanmarsenlle

Waar men voorheen de bijen allen maar kon afjagen door trommelen, zoals op de munt hierboven mooi te zien is, had men nu enorme manipulatiemogelijkheden . Door haar onrustig gedrag leent de mellifera zich voor de kastimkerij minder goed . 2. Intensivering van de landbouw bracht wijziging in de soorten en de bloeitijden van de “dracht”: andere rassen waren vroeger in het jaar gereed tot massaal uitvliegen. In 1853 brengt Dzierzon de Ligustica naar het Noorden; deze bij was rustig, zachtaardig en goed behandelbaar in de achterbehandelingskast; spoedig daarna kwam de Carnica aan beurt. 3. Toen deze nieuwe rassen agressieve hybriden gingen vormen met de oorspronkelijke mellifera, ging men ertoe over de oorspronkelijke inheemse bijen te vervangen door “raszuivere” Carnica’s of Ligustica’s. Gottfried Goetze geeft de raskenmerken op, die tot identificatie kunnen leiden.

Pogingen om de mellifera te behouden of terug te telen stammen niet alleen van de laatste tijd: In Zwitserland werden al in 1900 stukjes raat met eitjes van de inheemse bruine bij rondgestuurd in de hoop haar te behouden (Bijen Nov. 2002 pg. 314). Ook Goetze beijverde zich voor het behoud van de Duitse Zwarte bij; maar hij had andere motieven: met de kreet “raszuiverheid ‘ maakte hij goede sier in die tijd en Goetze werd daarom de hoogste imkerbaas in Nazi-Duitsland; na de annexatie van Oostenrijk hield hij het op de Carnica!.


Bestand:Amm4 ierland.jpg

Op een website in Ierland trof ik deze afbeelding aan; de vereniging beijvert zich om het behoud van de Ierse inheemse bij.

Soortgelijke pogingen worden in vele landen ondernomen en het zou toch prachtig zijn, wanneer ook wij in onze hybriden zoveel mogelijk terug zouden krijgen van de bij die zich hier duizenden jaren lang thuis gevoeld heeft en vitaal genoeg is zich aan onze veranderende omstandigheden aan te passen.