Apis mellifera sicula

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
De Siciliaanse honingbij heeft een rustige raatzit.

Het eiland Sicilië is door 'Straat van Messina' afgescheiden van de rest van Italië. Deze zeestraat is op zijn smalst slechts 3 kilometer breed is, maar toch is deze "geringe" natuurlijke barrière duizenden jaren voldoende geweest om op Sicilië een eigen ondersoort[1] van de 'westerse honingbij' (Apis Mellifera) te laten ontstaan met duidelijk eigen kenmerken: de Apis mellifera sicula (Montagano 1911).

De Apis mellifera sicula wordt ook wel aangeduid als Apis mellifera siciliana (Grassi 1881). In het Nederlands noemen we deze honingbij de Siciliaanse honingbij.


De Siciliaanse honingbij hoort bij de donkere ondersoorten, en de verschillen tussen de Siciliaanse honingbij en de nabije noordelijke meer gele buurman, de Italiaanse honingbij, zijn groot te noemen. De Siciliaanse- en Italiaanse honingbij zijn ongeveer even groot, maar de Siciliaanse honingbij is veel donkerder. Dit ondanks dat de borstbeharing van de werksters en de darren niet grijs of bruin, maar vaalgeel zijn. De Siciliaanse honingbij heeft bovendien een kortere tong, kortere beharing, kleinere vleugels, en een lagere cubitaal index dan de Italiaanse honingbij.

Het brede achterlijf van de Siciliaanse honingbij lijkt veel meer op die van de Noord-Afrikaanse tellbij, en zo er zijn meer overeenkomsten met de tellbij. De Siciliaanse honingbij is alleen wat groter, iets lichter van kleur, en de cubitaal index is wat kleiner dan die van de tellbij. Ook uit genetisch onderzoek is gebleken dat de voorouders van de Siciliaanse honingbij vooral ten zuiden van Sicilië moeten worden gezocht. Deze voorouders zijn vanaf Afrika op Sicilië terecht gekomen toen de tijdens de laatste ijstijd de zeespiegel veel lager, en Sicilië verbonden met Afrika, was[2].

De voorouders van de Italiaanse honingbij hebben de rest van Italië pas veel later via een Europese route gekoloniseerd.


De Siciliaanse honingbij heeft zich aangepast aan een Middellandse Zeeklimaat met warme zomers en zachte regenrijke winters. Aan de kusten van Sicilië is de gemiddelde temperatuur 's zomers 26 °C en 's winters 10 °C. In het zuiden kan de temperatuur stijgen tot 40 °C door de Sirocco die hete lucht uit de Sahara naar het noorden voert. In het binnenland is het in vergelijking met de kustgebieden koeler. Hier liggen de gemiddelde temperaturen rond de 19 °C in de zomer en 5° C in de winter. In de hete periode van mei tot september valt er, op enkele stortbuien na, nauwelijks neerslag op Sicilië. Van oktober tot februari valt de meeste neerslag, voornamelijk in de noordelijke gebergten. Sicilië kent 2 bloeiperioden: direct na de regens van februari, en bij aanvang van de regens in oktober. Dit zijn ook de perioden waarin de Siciliaanse honingbij (evenals de tellbij) een broedpiek heeft. De drachten variëren van citrusaanplantingen in de kuststreken, tijmvelden in het drogere binnenland in de zomer, en de Johannesbroodboom in de herfst.


De Siciliaanse honingbij blijft zelfs bij temperaturen boven de 40° Celsius actief, ze tolereert grote temperatuursveranderingen, en verbruikt vergeleken met andere ondersoorten (en zeker vergeleken met de Italiaanse honingbij) per honingbij maar weinig honing. Mede hierdoor is het een zeer vitale honingbij: ook een heel klein zwermpje is in staat om binnen een jaar een groot volk te worden. Deze grote bijenproductie gaat echter wel ten koste van de honingoogst.

De Siciliaanse honingbij is tamelijk zachtaardig maar verdedigd zichzelf buitengewoon goed tegen roverij. Ze heeft ook een rustige raatzit.


In de lage gebieden broedt de Siciliaanse honingbij het gehele jaar rond. In de gebieden boven de 600 meter kent de Siciliaanse honingbij in de winter een broedstop. Deze "geringe" vaardigheid tot broedstop is (proefondervindelijk) voldoende gebleken om ook in Noord-Duitsland te kunnen overwinteren. Dit is echt een groot verschil met de tellbij, want die kan dat echt niet. De Siciliaanse honingbij kan echter alleen met menselijke hulp in Noordelijker streken overleven, want de koningin legt na december ongeacht de omstandigheden al snel te veel eitjes. Te veel om in Noorden succesvol te kunnen zijn.


Bijenstand met ferulakasten.

De snelle groei van een Siciliaanse honingbijvolk gaat gepaard aan een grote zwermlustigheid (zeker als ze is gehuisvest in de traditionele ferulakast) en eind februari kunnen de eerste darren al weer rondvliegen. Het zwermgedrag wijkt daarnaast behoorlijk af van wat wij in de Lage landen met onze honingbij gewend zijn. Net als de Noord-Afrikaanse tellbij zet de Siciliaanse honingbij in de zwermperiode wel zo'n 60 - 800 zwermcellen aan!

De Siciliaanse honingbij kent meestal geen eerste zwerm met de oude koningin die vertrekt zodra de eerste zwermcel wordt gesloten. Oftewel, de Siciliaanse honingbij kent niet onze voorzwerm.

Bij de Siciliaanse honingbij vertrekt de eerste zwerm pas zodra de eerste jonge koninginnen al zijn geboren (!), en deze eerste zwerm is meestal niet groter dan zo'n 15.000 bijen. Deze eerste zwerm (en ook volgende) bevat dan meestal meerdere jonge koninginnen. De oude koningin kán hier ook bij zitten, maar dat is niet vanzelfsprekend[3] Zo'n zwerm met meerdere koninginnen kan zich vervolgens opdelen naar kleinere eenheden met elk minder koninginnen, maar ook kan een zwerm met weinig jonge koninginnen weer terugkeren naar de oude nestplaats. Zwermen kunnen zich ook samenvoegen met andere zwermen.

Na de eerste zwerm kan het oude volk ook nog volgende zwermen produceren van zo'n 2.000 tot 10.000 bijen.

Een volk kan ook "slechts" zo'n 100 zwermcellen hebben en vervolgens helemaal niet zwermen, maar de oude moer vervangen zodra er een nieuwe bevruchte jonge moer is.

Aangezien de zwermen pas vertrekken zodra er jonge koninginnen zijn geboren kan de Siciliaanse imker het zwermen uitstellen door alle zwermcellen te breken.


Overtallige jonge koninginnen kunnen vrij in het volk rondlopen of worden door de werkbijen bij elkaar gedreven en kunnen dan nog zo'n twee tot drie dagen overleven. Soms vertrekken/vluchten er jonge koninginnen die als ze geluk hebben een moerloos of een darrenbroedig volk vinden. Zo worden er op Sicilië menigmaal al afgeschreven volken aangetroffen waarin alsnog een jonge koningin aan de leg blijkt te zijn.


Er wordt vanuit gegaan dat de Siciliaanse honingbij resistenter tegen de varroamijt is vanwege haar warmere broednest (zo'n 2 graden warmer dan andere ondersoorten), haar zwermgedrag en vanwege haar 2-piekse broedritme.


Mede vanwege buitenlandse interesse voor de kwaliteiten van de Siciliaanse honingbij werd deze in de 1950-er en 1960-er nog door de Italiaanse imker Mariano Alber geteeld, maar al sinds 1930 werden er ook niet-Siciliaanse koninginnen in Sicilië ingevoerd. Dit gebeurde eerst alleen/vooral in het oosten van Sicilië (in de provincies Catania en Syracuse), maar sinds pakweg 1970 versneld ook in de rest van Sicilië. Veel Siciliaanse imkers stopten toen met de traditionele imkerij in ferulakasten, en vervingen hun Siciliaanse koninginnen door Italiaanse honingbijen, carnica's, caucasica's of buckfast omdat deze ondersoorten met hun grotere honingoogsten gemakkelijker commercieel konden worden gehouden.

De overstap op uitheemse ondersoorten werd vervolgens bevordert doordat de bijenvolken van Siciliaanse imkers die niet met geïmporteerde koninginnen werkten hybridiseerden, agressiever werden, steeds minder op de specifiek Siciliaanse omstandigheden aangepast werden, en een steeds grotere vervuiling van de raat lieten zien waardoor de gevoeligheid voor kwalen toenam. Oftewel: de sterke punten van de Siciliaanse honingbij verdwenen waardoor de overstap naar uitheemse ondersoorten steeds aantrekkelijker werd. In 2002 viel echter op dat met name in het oosten van Sicilië, waar de invloed van uitheemse ondersoorten het grootst is, de meeste bijenvolken stierven.


Imker Carlo Amodeo controleert een volk met Siciliaanse honingbijen.

Al in 1988 bestond de pure Siciliaanse honingbij niet meer. Het is geheel aan de Siciliaanse entomoloog Pietro Genduso (1922- 1999) en vooral diens student Carlo Amodeo te danken dat de Siciliaanse honingbij voor uitsterven is behoed. Pietro Genduso bestudeerde de Siciliaanse honingbij (en diens neergang) met buitengewone belangstelling en hij bracht zijn passie voor deze honingbij over op Carlo Amodeo. Startend in 1988 zocht Carlo Amodeo volken met een hoog percentage Siciliaans "bloed".[4]. Uit deze volken wist hij de Siciliaanse honingbij in zijn pure vorm terug te telen, en op nabij gelegen eilanden in zijn pure vorm te behouden.


Gelukkig wordt het belang van het voortbestaan van de Siciliaanse honingbij inmiddels in brede kring en ook door de overheid erkend. Op 14 januari 2012 waren zo'n 150 imkers van over hele eiland aanwezig bij de presentatie/start van een 3-jarig project ter herintroductie van de Siciliaanse honingbij op Sicilië. De herintroductie zal starten in het noordwesten van het eiland (in de provincies Palermo, Trapani en Agrigento). Daar is de invloed van uitheemse ondersoorten nog steeds het kleinst.

Gaandeweg het project hoopt en denkt men aan te tonen dat de ziekteresistentie van de Siciliaanse honingbij ruimschoots opweegt tegen een geringere honingproductie.


Onderstaand een filmpje met Carlo Amodeo en de Siciliaanse honingbij.

Literatuur

  • A.Schotanus. Over bijensoorten, -rassen, -stammen en lijnen, paragraaf 1.11. Maandblad Vlaamse Imkersbond, 1998, nummer 11.
  • De internetsite van de imkerij van Carlo Amodeo: http://www.amodeocarlo.com/index.asp
  • Etienne Bruenau. Voyage: Des ruchers anciens - Apis mellifica sicula - Vins, miels enrichis, monofloraux. Abeilles & Cie. nr 114, 2006, blz. 22-28.

Voetnoten

  1. Binnen Imkerpedia onderscheiden we soorten, ondersoorten (rassen), stammen en lijnen.
  2. Via Sicilië kwamen de honingbijen vanuit Afrika toen ook op het toen aan Sicilië verbonden Malta terecht: de eveneens verwante Maltezer honingbij.
  3. De oude koningin kan ook in de oude nestplaats zijn gebleven of al voorafgaand aan het zwermen zijn gedood. De oude koningin kan ook (zowel in de eerste zwerm, als op de de oude nestplaats gebleven) pas worden gedood zodra er weer een nieuwe bevruchte jonge koningin is.
  4. Voor de vaststelling in hoeverre een volk nog Siciliaans was, maakte Carlo Amodeo gebruik van zowel elektroforetische als biometrische analyse van die volken.