Aristoteles

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Aristoteles, Grieks wijsgeer en natuurwetenschapper

Aristoteles leefde van 384 – 322 voor onze jaartelling. Een van de grootste geleerden uit het oude Griekenland. Hij was een leerling van de wijsgeer Plato en opvoeder van de latere Alexander de Grote. Hij was de eerste die systematisch de verklaring van de verschijnselen in de natuur niet zocht in de wereld van goden, mythen en sagen (zie bij voorbeeld onder Ambrosius de verklaring voor de bijenzwerm op de lippen van de jonge baby) ; hij baseerde zich op onderzoek en observatie. Hij had in Athene een eigen school: het lyceum. Hij schreef talloze boeken over filosofische, ethische en natuurwetenschappelijke onderwerpen. In zijn lijvige boekwerk over de dieren (Historia animalium), staat ook beschreven wat hij over bijen te weten kwam. Voor zijn onderzoek had hij een observatiekast van glas en werkte hij met enige vorm van de top-bar hive, waar hij de raat kon uitlichten om te zien wat zich afspeelde. Zo stelde hij de “bloemvastheid” van de bijen vast en constateerde hij “dat zij de darren verdrijven, als er tekort aan honing ontstaat”. Wat de voortplanting van bijen betreft kwam hij in de problemen, omdat hij geen paringen kon vaststellen. Hij vergeleek de gecompliceerde organisatie van het bijenvolk met dat van de mensengemeenschap, en stelde vast, dat darren wijfjes moesten zijn: zij hebben geen angel (wapen), maar eitjes leggen deden zij ook niet; minderwaardig soort vrouwvolk dus. Werksters hebben een angel om het volk te verdedigen; die rol is bij mensen voor mannen weggelegd; zo werden werksters als mannen beschouwd en onze moer was een koning, die zijn volk bestuurde. Waar komen al die bijen vandaan vroeg hij zich af; het kon zijn: “ergens anders vandaan”. Bij latere schrijvers zien wij een spontane geboorte van bijen bij voorbeeld in het karkas van een dode stier ( zo ook Vergilius, die veel van het gedachtegoed van Aristoteles overnam); of, bijen vinden eitjes in bloemen en brengen deze mee de korf in. Aristoteles kwam na vele overwegingen tot de conclusie, dat het het meest aannemelijk was, dat bijen zichzelf voortbrengen, maar hoe: daar weet hij geen antwoord op. In ieder geval speelden bij hem darren geen rol in de voortplanting. Over drachtplanten weet hij ook het een en ander; imkers beveelt hij aan Luzerne te zaaien in hun omgeving. De ideeën van Aristoteles zijn maatgevend gebleven in de lange geschiedenis van het bijenonderzoek. Pas in de 18e/19e eeuw komt daar verandering in: in 1667 ontdekte Swammerdam met zijn microscoop de eierstokken van de moer, die pas toen een koningin bleek te zijn; in vele geschriften is zij overigens nog lang een koning gebleven . De blinde Huber kwam in 1814 tot de conclusie, dat koninginnen bevrucht werden door darren, hoog in de lucht.