Aster

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Sluieraster (Symphyotrichum ericoides).
De in Vlaanderen voorkomende kalkaster (Aster linosyris).
Nieuw-Nederlandse aster (Symphyotrichum Novi-Belgii).
Aster tongolensis.

Latijnse namen:

  • voor de vaste asters: Aster, Eurybia, Symphyotrichum
  • voor de 1-jarige zomerasters: Callistephus


Omschrijving en kenmerken

Het geslacht aster bevatte voorheen bijna 600 soorten die van oorsprong uit zowel Eurazië als uit Noor-Amerika kwamen. Al deze asters verlangen veel zon. De bloeitijd varieert van april tot november en de hoogte van 20 cm tot 250 cm! Ook de kleuren zijn uitgebreid: van wit, roze, rood, lila, blauw, violet tot donkerpaars.


Op grond van morfologisch en moleculair onderzoek is in de negenter jaren besloten dat de van oorsprong in Noord-Amerika voorkomende astersoorten beter in andere / nieuwe geslachten pasten[1]. Na deze nieuwe indeling bleven er zo'n 180 soorten in het geslacht aster over die (op één na) van oorsprong alleen in Eurazië voorkomen.

In de Lage landen wordt over het algemeen nog steeds aan de oude aster-naamgeving vastgehouden.


De naam Aster komt van het Oud-Griekse ἀστήρ (astér), wat 'ster' betekent en verwijst naar de vorm van de bloem.


Van oorsprong komen in de Lage landen alleen de Aster linosyris (kalkaster) en de Aster tripolium (zulte) voor. De eerste alleen in Vlaanderen. De bladeren van de zulte zijn eetbaar en heten dan lamsoor[2].


Onderstaand gaat het vooral over de in de tuinen voorkomende asters (hoewel sommige daarvan ook al weer verwilderd in de Lage landen voorkomen). Deze asters komen van oorsprong uit Zuid-Europa, uit oostelijk Noord-Amerika of uit West-China. Ze stellen dan ook sterk verschillende eisen aan de grond.


Om het grote aantal verschillende astersoorten (met daarbinnen ook nog eens heel veel verschillende cultivars) overzichtelijker te maken hanteert men een onderverdeling in 3 grote groepen: de voorjaarsbloeiers, de zomerbloeiers en de herfstbloeiers.

Deze indeling wordt menigmaal helaas ook onterecht als soortnaam wordt gebruikt. Zo heeft bijvoorbeeld alleen de Aster ageratoides de nederlandse naam Herfstaster, maar worden ook veel andere astersoorten herfstaster genoemd. Dit is uiteraard verwarrend. Helemaal als de ene soort bij het ene tuincentrum zomeraster 'heet', en bij het andere tuincentrum herfstaster.

De voorjaarsbloeiers houden vooral van koele grond en voor een rijke bloei moeten zij om de 3-4 jaar, na de bloei, gedeeld worden. De voorjaarsbloeiers zijn meestal laagblijvende planten met onvertakte bloeistengels en dikwijls slechts 1 bloem per stengel. De zomer-, en herfstbloeiers zijn middelhoog tot hoog groeiende planten met sterk vertakkende bloemstengels.


Voorheen hadden veel asters last van meeldauw waardoor ze bij het winkelend publiek uit de gratie geraakten. Dat probleem is inmidddels echter via veredeling grotendeels verholpen zodat de asters sindsdien een come-back maken.


In de Lage landen komen vooral de volgende soorten voor:

  • Aster ageratoides (Herfstaster)
  • Aster Alpinus (Alpen aster)
  • Aster Amellus (Bergaster)
  • Aster azureus (Hemelaster)
  • Aster lanceolatus (Smalle aster)
  • Aster sedifolius
  • Aster shortii
  • Aster tradescantii (Kleine aster)
  • Aster tripolium (Zulte)
  • Callisephus chinensis
  • Eurybia divaricata (Bosaster)
  • Symphyotrichum dumosum (Bossige aster)
  • Symphyotrichum ericoides (Sluieraster)
  • Symphyotrichum laeve (Gladde aster)
  • Symphyotrichum lateriflorum (Kleine aster)
  • Symphyotrichum novae-angliae (Nieuw-Engelse aster)
  • Symphyotrichum Novi-Belgii (Nieuw-Nederlandse aster)


Deze asters trekken stuk voor stuk een keur aan insecten aan. Tot de regelmatige bezoekers horen: bijen, vliegen, wespen, kevers, motten en vlinders. De mate van bevlieging door honingbijen is wel verschillend.


Verwijzingen en bronnen


Voetnoten

  1. zie aster op de engelstalige wikipedia.
  2. Niet te verwarren met de plant lamsoor (Limonium).