Bijenruimte

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
De bijenruimte in roze getekend zoals het heden ten dage bij nagenoeg alle bijenkasten wordt toegepast.

De bijenruimte is een ontdekking van de Amerikaan Langstroth. Hij ontdekte dat als hij de afstand tussen de dekplank en de bovenzijde van de raampjes liet zakken tot 3/8e inch (± 9 mm), dat dan de tussenliggende ruimte vrij bleef van propolis of braamraat.

In 1851 bedacht hij al snel dat het wel eens een goed idee zou kunnen zijn om die ruimte ook rond zijn ramen in zijn bovenbehandelingskast te hanteren: de veelgeprezen Langstrothkast was ontstaan.

Inmiddels weten we dat na verloop van tijd (maar daarbij wel vooral zodra er sprake is van ruimtegebrek) iedere ruimte kleiner dan 5 mm wordt dichtgekit (met propolis), en dat iedere ruimte groter dan 9 mm werd volgebouwd met wasraat. Aldus blijft na verloop van tijd als leefruimte voor de bijen alleen de ruimtes tussen 5 en 9 mm over (de bijenruimte). Afhankelijk van de grootte van de betreffende honingbijen kunnen die getallen overigens soms net ietsje anders liggen.

Ondanks dat Langstroth als eerste de bijenruimte in zijn gehele kast toepaste was hij niet de eerste die de term 'bijenruimte' als zodanig gebruikte. Ook in zijn patenten aangaande de Langstrothkast legde hij geen nadruk op het buitengewone belang van die ruimte. Er wordt verondersteld dat Langstroth zo terughoudend was met met hte benadrukken deze informatie om inbreuken op zijn patenten te voorkomen (hetgeen tevergeefs bleek). De term 'bijenruimte' wordt pas in 1885 geïntroduceerd door James Heddon (die we ook kennen van de Heddonkast) en wordt zelfs pas in 1888 voor het eerst als zodanig benoemd in de Langstrothkast.[1]


Hart-op-hart.GIF

Ook aan de buitenzijkant van de buitenste ramen moet rekening worden gehouden met de bijenruimte. Immers, tussen 2 ramen levert elk van de ramen een halve bijenruimte, maar naast de buitenste ramen zit geen ander raam om de andere helft van de bijenruimte te leveren. Daarom moet daar de zijwand van de kast een extra halve bijenruimte van het buitenste raam af zitten. Als dit niet goed is dan heeft dat de volgende gevolgen:

  • te klein ruimte: de raat van de buitenste ramen wordt aan de buitenzijde niet gebruikt.
  • te grote ruimte :
    • Warbouw tussen buitenste raam en kastwand
    • Spekraat. Voor honingramen is dat niet erg, maar voor ramen met deels broed of stuifmeel geeft dat problemen zodra je het raam op een andere plek wilt plaatsen. bovendien soms wildbouw aan de wand overdwars

Bij N ramen moet er dus rekening worden gehouden met (N + 1) bijenruimten (waarvan er N "automatisch" tussen de ramen zitten, en 1 de optelsom is van 2 halve bijenruimte van de zijkanten).

Voorbeeld:

Stel, je wilt een kast met 10 ramen met een hart op hart breedte van 38 mm, dan moet de kast (10 x 38mm) + (1 x bijenruimte) breed zijn. En zo is de simplexkast van 385 mm goed voor 10 ramen (van 38mm) met een extra bijenruimte van 5 mm, maar eigenlijk niet voor 11 ramen (van hart op hart 35 mm), want dan ontbreekt die extra bijenruimte voor de zijkanten.


Voetnoten

  1. Gene Kritsky. The Quest for the Perfect Hive: A History of Innovation in Bee Culture. 2010, blz. 116 - 118