Broedferomoon

Uit Imkerpedia
Versie door Albert Stoter (Overleg | bijdragen) op 2 dec 2014 om 11:18

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

Het broedferomoon wordt geproduceerd in de speekselklieren van de larven en heeft verschillende effecten:

  • Het onderdrukt de hoeveelheid vitellogenine[1].
  • Omgekeerd, bij een laag broedgehalte (en dus een laag gehalte broedferomoon) zal er juist meer vitellogenine (zoals bijvoorbeeld bij de winterbijen) worden opgeslagen.
  • Het onderdrukt de ontwikkeling van de eierstokken van de werkbijen.
  • het onderdrukt de hoeveelheid juveniel hormoon.
  • het stimuleert de ontwikkeling van de eiwit-inhoud van de hypopharyngeale voedersapklieren.
  • Het stimuleert de broedzorg in jonge bijen.
  • Het stimuleert het fourageergedrag (met namen op stuifmeel) van haalbijen (maar het directe effect daarvan is minder dan het directe contact met het al aanwezige stuifmeel[2][3]).


De in het bijenvolk aanwezige concentratie van de broedferomonen geeft aan hoeveelheid broed er is in relatie tot de grootte van het volk. Voor dat broed dient er voldoende eiwit oftewel stuifmeel te zijn dat door voedsterbijen wordt geconsumeerd en omgezet in voedersappen die grotendeels door de larven wordt geconsumeerd. Als de concentratie van het broedferomoon (door onderzoekers) kunstmatig iets wordt verhoogd dan volgen er veranderingen die je kunt interpreteren als dat het volk anticipeert op een tekort aan stuifmeel:

  • het volk verlaagt de leeftijd waarop thuisbijen haalbijen worden,
  • het volk vergroot het aandeel haalbijen dat stuifeel haalt, en
  • de haalbijen halen per vlucht meer stuifmeel.

Dergelijke kunstmatige verhogingen van de concentratie broedferomonen hebben echter een drempelwaarde waarboven er een min of meer omgekeerde reactie plaats vindt: de leeftijd waarop de thuisbijen haalbijen worden neemt dan juist toe. Wellicht dat een te hoge concentratie broedferomonen wordt "opgevat" als een signaal dat er (in relatie tot de voedingscapaciteit van het volk) te veel broed is (hetgeen zwakke bijen zou opleveren). Aldus zou een te hoge concentratie broedferomonen eerder een signaal kunnen zijn voor het interen op de vetlichaampjes en het opeten van eitjes en jonge larfjes (zodat de oudere larven wel voldoende eitwitten verkrijgen).


Larven van verschillende leeftijden scheiden verschillende broedferomonen af. Dit maakt het onder andere mogelijk dat de larven het voor hun leeftijd juiste voedsel krijgen en dat de cellen van de oudste larven op het juiste moment worden verzegeld. Bij dat laatste speelt echter ook de afstand van de larve tot de celrand een rol[4]. Waaarschijnlijk "weet" ook de varroa hierdoor wat het juiste moment is om in een, vlak daarna te verzegelen, broedcel te stappen.

Navigatie

Literatuur

  • Y.Le Conte, L.Sreng, J.Trouiller. The recognition of larvae by worker honeybees. Naturwissenschaften, Volume 81, 1994, blz. 462-465.
  • Yves Le Conte, Arezki Mohammedi, Gene E. Robinson. Primer effects of a brood pheromone on honey bee behavioral development. Proceedings: Biological Sciences, Volume 268, Nr. 1463 (22 januari 2001), blz. 163-168.
  • Theo Elzenga. Een bijenvolk wordt geregeerd door geuren. bijenhouden, februari 2010.
  • R.R.Sagili1, T.Pankiw, B.N.Metz. Division of Labor Associated with Brood Rearing in the Honey Bee: How Does It Translate to Colony Fitness? Plos One, February 2011, Volume 6, Issue 2.

Voetnoten

  1. B.Smedal, M.Brynem, C.D.Kreibich and G.V.Amdam. Brood pheromone suppresses physiology of extreme longevity in honeybees (Apis mellifera). The journal of Experimental Biology (nr. 212, 1 december 2009), blz. 3795-3801.
  2. Claudia Dreller & David R. TARPY. Perception of the pollen need by foragers in a honeybee colony. Animal Behaviour 59 (2000), 91–96.
  3. Haal je stuifmeel uit een volk dan zullen de haalbijen direct veel meer stuifmeel gaan halen. Voeg je een raam stuifmeel toe dan neemt het zelf halen juist af.
  4. B.Goetz, N.Koeniger. Structural features trigger capping of brood cells in honey bees. Apidologie (23, 1992), blz. 211 - 216.