Diploïde darren

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Het geslacht van de honingbij wordt bepaald door een enkel gen op het derde chromosoom. Dat gen komt in zo'n 20 verschillende vormen voor (oftewel, er zijn zo'n 20 verschillende typen seksallelen).

Bevruchte eitjes hebben uiteraard twee keer dat derde chromosoom. Eentje vanaf de moeder en eentje vanaf de vader. Als dan de beide door beide ouders "geleverde" seksallelen van elkaar verschillen, ontstaat er een vrouwtje. Als de beide seksallelen hetzelfde zijn ontstaat er een diploïde dar.

Al met al kun je dus zeggen dat er een dar ontstaat zodra er in een eitje maar 1 type seksalel voorkomt (en in een onbevrucht eitje is dat per definitie zo, want dat bevat maar één seksallel).

Normaal gesproken worden diploide darren al vlot als jong larfje geruimd. De werkster herkennen ze dan aan hun geur. Diploide darren zijn echter gewoon levensvatbaar. Onderzoekers[1] hebben diploïde darren geboren laten worden door de eitjes te verwijderen voor ze uitkwamen, en ze vervolgens zelf op te kweken tot larfjes van 3 dagen. De werksters blijken 3 dagen oude diploïde darrenlarven niet meer te kunnen onderscheiden van haploïde darrenlarven. De 3 dagen oude diploïde darenlarfjes kunnen dan zonder gevaar weer in een normale haploïde darrencel worden geplaatst. Ook de 3 dagen oude diploide darrenlarven worden dan gewoon gevoerd en lopen na de gesloten broedfase uit.

De reden van ruiming

Diploide darren hebben veel kleinere spermaklieren (zo'n 5 - 10 % van normaal) dan de haploïde darren. Vanuit het perspectief van een bijenkolonie zijn diploïde darren sterk minderwaardig. Zodanig zelfs dat de bijenkolonie haar energie en voeding veel beter aan alleen haploïde darren kan besteden.

Inteelt vergroot de mate van optreden van diploïde darren

Uitgaande van 20 verschillende typen seksallelen is de kans op het bij elkaar komen van 2 dezelfde seksallelen 5%. Normaal ontstaan er bij de bevruchte eitjes dus ook al 5% diploïde "darren". Een broeduitval (en dus hagelschot) van 5% hoeft dus niet zorgenbarend te zijn. Dit percentage is bij inteelt groter doordat door inteelt de variatie in het genetische materiaal minder wordt. Zijn er door inteelt nog maar 10 seksallelen over, dan is de kans op een diploïde "dar" gestegen tot 10%.

Bij een uitvalspercentage 15% moet de moer vervangen worden[2]. Grote kans overigens dat een bijenvolk in dat geval zelf over gaat tot een stille moerwissel.

Voetnoten

  1. Zie o.a. J.Woyke. Study on the Comparative Viability of Diploid and Haploid Larval Drone Honeybees. Journal of Apicultural Research. Volume 4, 1965.
  2. Om dit percentage te kunnen bepalen snijd je bijvoorbeeld een parallellogram uit een stukje hard doorzichtig plastic met zijden van 10 cellen. Het oppervlak is dan dus 100 cellen. Leg het stukje plastic op het centrale gedeelte van het broednest en tel het aantal open cellen onder het plastic.