Dzierzon

Uit Imkerpedia
Versie door Albert Stoter (Overleg | bijdragen) op 5 mrt 2015 om 15:05

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken
De vaak gedecoreerde Dzierzon.
Dzierżoniów, het voormalige Lowkowitz, in Polen
Bijenstand uit het geboortedorp van Dzierzon. De bijenkasten op de foto lijken ongetwijfeld op de kasten die Dzierzon er had staan: tweelingkasten met achterbehandeling.

Dzierzon's leven in een notedop

Johannes Dzierzon werd op 16 januari 1811 geboren in Lowkowitz als zoon van een poolse welgestelde landbouwer geboren. Lowkowitz is een stad in Silezië, dat toen in Duitsland lag, maar thans aan Polen toebehoort. Wie de plaats op de kaart gaat opzoeken, moet naar de huidige naam Dzierżoniów zoeken. Dzierzon maakte zijn geboortestad wereldberoemd!


In de Duitse literatuur wordt Johannes Dzierzon vaak als Duitser voorgesteld. Dat komt wellicht ook door zijn Duitstalige boeken, maar Dzierzon's ouders, Simon en Maria Dzierzon, spraken Pools. De Duitse taal leerde hij pas in een later stadium.


Al vanaf 10-jarige leeftijd helpt Dzierzon zijn vader bij de bijenteelt in klotzbeuten. Ondanks dat Dzierzon gedurende zijn gymnasiumopleiding een bijzondere aanleg voor wiskunde toonde, ging hij hierna toch naar het seminarie om geestelijke te worden. Hij schreef later dat die keuze was ingegeven door de verwachting dat hij als geestelijke meer tijd voor de bijen zou hebben (zoals de pastors Schirach en Christ voor hem). Gedurende de schoolvakanties is hij voortdurend met de bijen in de weer.

Op 16 maart 1834 werd hij tot zijn vreugde benoemd tot kapelaan in Schalkowitz waarvandaan hij in 1835 een post aanvaardde in Karlsmarkt en daar tot pastoor wordt benoemd.

In de omgeving van Karlsmarkt koopt Pastoor dr Johannes Dzierzon dan vele stukken grond op, en op uiteindelijk 12 standen zet hij zijn (in totaal 300 à 400) volken neer. Eerst in Klotzbeuten, en later in kasten. Deze bijenstanden werden (in navolging van von Berlepsch) "leerstanden" waar hij van heinde en ver talloze belangstellenden ontving en onderrichtte. Deze standen leverden hem al gauw een inkomen op dat een veelvoud was van zijn priestersalaris.


In zijn zoektocht naar een rendabele imkerij levert hij vervolgens een belangrijke bijdrage aan:

Dzierzon is echter vooral beroemd geworden door zijn ontdekking dat darren resulteren uit niet bevruchte eicellen, oftwel:


Gedenkteken op het huis waarin Dzierzon stierf.

Dzierzon kreeg nog tijdens zijn leven voor zijn wetenschappelijke verdiensten voor de bijenteelt heel wat lintjes en eerbewijzen. Zo kreeg hij tijdens een bijenteeltcongres in Darmstadt de Ludwigsorde opgespeld. Erg trots was hij op zijn benoeming in 1858 tot erelid van de keizerlijke landbouworganisatie door Aartshertog Johann van Oostenrijk.

In 1870 moest Dzierzon zijn priesterambt neerleggen vanwege zijn problemen met het resultaat van het Vaticaanse Concilie in dat jaar.

In 1872 ontving hij een eredoctoraat van de universiteit van München.

In 1884 keert Dzierzon ( hij is nu 73 jaar) naar zijn geboortestad terug, tot groot verdriet van Karlsmarkt, dat een groot man en trekpleister zag vertrekken.

In 1885 werd hem de Staatsmedaille voor wetenschappelijke verdiensten toegekend door keizer Willem I, en op 93-jarige leeftijd werd hij ontvangen door de Oostenrijkse keizer Franz Joseph.

In 1905 verzoent hij zich met de kerk, en een jaar later overlijdt hij op 26 oktober 1906 aan de gevolgen van een beroerte. In 1931 werd de woning waar hij stierf voorzien van een gedenksteen.


Dzierzon's bijdrage (van uitneembare raten) aan de uitneembare ramen

Dzierzon wilde op zijn leerstanden laten zien hoe je een "rendabele" imkerij kon opzetten. Het is echter moeilijk om rendabel te imkeren met vaste bouw (zoals in de korfimkerij) omdat je dan volken moet "afzwafelen" of "uittrommelen". Dit geldt temeer wanneer je met de inheemse "donkere bijen" werkt die zich dit moeilijk laten aanleunen. Dzierzon ging op zoek naar een kast waarmee je kon imkeren zonder het bijenvolk te verstoren of zelfs te vernietigen.


Een kastdeel van Christ.
De Klotzbeute waar Dzierzon eerst mee imkerde.

Dzierzon begon zijn zoektocht met de inheemse "donkere bijen" in een soort van achterbehandelings Klotzbeute met ramen. Deze Klotzbeute met ramen voldeden echter niet. De raampjes werden aan alle kanten vastgekit of met raat opgevuld. Toch zal hij deze Klotzbeute nog jaren lang, zelfs naast zijn inmiddels verbeterde kasten, blijven gebruiken.


Bijenhuis met achterbehandelingskasten. Optimaal ruimtegebruik, want achterbehandelingskasten kunnen strak naast en boven elkaar. De verschillende kleurtjes zijn om vervliegen te voorkomen.
Dzierzon's tweelingkast. Het linkerdeel is gesloten.

Dzierzon zoekt verder en neemt de kast van Christ over. Dat was een kast bestaande uit 3 à 4 houten op elkaar gestapelde bakken die van toplatten waren voorzien (waaraan een reepje was ervoor zorgde dat de bijen daar hun raat begonnen te bouwen). Uiteindelijk bevielen ook deze kasten niet.


Vervolgens maakte Dzierzon in 1838 een achterbehandelingskast die hij voorzag van (over gemonteerde latjes) schuifbare toplatten. Op grond van onderzoek / observatie kregen die toplatten in 1845 van Dzierzon een standaardbreedte van 1 zoll [1], en tussen de toplatten hanteerde hij een afstand van een 1/2 zoll. Aldus bepaalde Dzierzon als eerste een hart op hart afstand van 1 1/2 zoll (oftewel van ± 38 mm). Vanaf 1848 bracht hij in beide zijwanden van zijn achterbehandelingskast een groef van 1/4 zoll (± 8 mm) aan waarover / waarin de toplatten konden worden geschoven. Vanaf de achterkant van de achterbehandelingskast was het niet buitengewoon lastig om voor het oogsten de zijkanten van de raat van de zijwanden af te snijden.

De ruimte tussen de toplatten en de bovenkant van de bijenkast maakte hij zo groot dat hij er goed met zijn vingers doorheen kon; hij voorkwam het volbouwen van die ruimte door bovenop de toplatten dunne latjes te leggen (van bijvoorbeeld sigarenkistjes)[2].

Al met al resulteerde dit dus voor het eerst in een kast met tamelijk gemakkelijk uitneembare raten.

Deze Dzierzonkasten zette hij naast en op elkaar in een gebouw waarin hij zijn volken binnen kon behandelen: Het bijenhuis met achterbehandelingskasten, zoals wij ze kennen in het duitse taalgebied, was ontstaan.


Als von Berlepsch op basis van de Dzierzonkast een eigen kast met uitneembare vierlatsraampjes gaat propageren blijft Dzierzon bij zijn bovenlatten en ontbrandt er tussen de beide een verbeten en onfrisse strijd. Nog in 1848 klaagt Dzierzon dat hij in geval van een vierlattig raampje, zo´n moeite moet doen om de vastgekitte raampjes los te wrikken. Als Dzierzon uiteindelijk toch zijn "tweelingkast" ook met raampjes ontwerpt zitten wij al een eind in de zestiger jaren en begint de Langstrothkast ook tot Europa door te dringen.


Dzierzon en de ontdekking van de parthenogenese van de dar

Eenvoudige weergave van wat Dzierzon verstaan heeft onder parthenogenese van darren. De eicel is niet bevrucht door een zaadcel van enige dar die betrokken is geweest bij de bruidsvlucht van de moer. De eicel heeft alleen het genetisch materiaal van de moer; de dar die uit dit eitje ontstaat is genetisch identiek aan zijn moeder en heeft geen vader; de dar is geen mannetje met eigen mannelijke eigenschappen; hij is niet meer dan het verlengstuk van de moer,zijn moeder, bedoeld om haar eigenschappen door te geven.

Over de geslachtsbepaling van darren had men in Dzierzon´s tijd vele opvattingen; sommige ervan zijn nog steeds te beluisteren: werksters likken de moer bij haar eileg en dat bepaalt het geslacht; of: speciaal voedsel maakt de dar. Een andere mening was, dat uit de rechter eierstok van de moer vrouwtjes- uit de linker mannetjes worden geboren. Een aparte "moeder" voor de darren was ook een veel gehoorde opvatting.


In 1835 deed Dzierzon de ontdekking die hem wereldberoemd zou maken. Hij ontdekte dat een moer die niet kon vliegen alleen maar darren kreeg. Zoals het zo vaak gaat was ook dit een toevalsontdekking. Op een bepaald moment streden de koninginnen van twee zwermen om een plaatsje in één van zijn kasten. De jonge moer doodde de oude, maar de oude moer had wel de jonge moer zodanig beschadigd dat deze niet meer kon vliegen. Hoewel de (van oorsprong dubbele) zwerm sterk was en snel de raten uitbouwde legde de jonge moer alleen maar darreneitjes. Toen Dzierzon haar onderzocht bleek dat haar zaadblaas leeg was.

In 1845 schrijft hij in een essay[3], dat "darreneitjes geen bevruchting nodig" hebben. Een stokoude moer immers of een onbevruchte moer krijgen alleen maar darren. De zienswijze van Dzierzon was revolutionair in die dagen en het leverde veel geruzie op. Van alle kanten wordt hij verketterd en aangevallen. Dan krijgt hij de zo begeerde steun van de bioloog von Siebold, professor aan de universiteit van München; deze had de parthenogenese bij mieren en vlinders ontdekt. Met deze geleerde treedt Dzierzon samen op op het grote Duitse imkercongres in 1852. In de biologie is het een spectaculaire tijd: Mendel was met zijn overervingwetten bezig; Darwin schreef een essay over the "origin of species". Als Dzierzon in 1853 voor het eerst een raszuiver ligustica-volk in huis heeft ontleend hij hieraan verdere bevestiging van de parthenogenese van de dar: een gele dochtermoer van dat volk, standbevrucht met donkere darren, levert hybride werksters op, maar alle zonen zijn geel!

Na haar bruidsvlucht heeft de moer zaadcellen opgeslagen van 15 tot 25 darren. In het volk levert dat evenzoveel subpopulaties van werksters op. Als bij de bevruchting darren van meerdere rassen betrokken waren, kunnen de verschillen in eigenschappen van deze subpopulaties groot zijn. Omdat de zonen van de moer uit onbevruchte eitjes afkomstig zijn, zullen zij alle identiek zijn aan de moer.

Op een bepaald moment ziet Dzierzon echter ook een donkere moer in een geel volk; volgens zijn eigen theorie moeten alle darren donker zijn. Tot zijn ontsteltenis echter ziet hij ook gele darren lopen, die niet "van buiten" konden komen (en dus waarschijnlijk van eierleggende werksters kwamen, maar dat fenomeen kende Dzierzon blijkbaar nog niet). Als wetenschapper, bescheiden en kritisch tegenover zichzelf, ging hij ernstig twijfelen aan de juistheid van zijn theorie.

In 1856 ontmoet hij opnieuw von Siebold, die hem ervan wist te overtuigen, dat hij het toch bij het goede eind had. In zijn in 1857 gepubliceerde boek[4] blijkt Siebold al wel op de hoogte van (beweringen aangaande) het bestaan van eierleggende werksters.


De tegenstand werd er echter niet minder op. Von Berlepsch haalt er professoren bij die met behulp van hun microscoop Dzierzon gelijk gaven. Hierna draaide von Berlepsch bij en steunde in het vervolg de parthogenese. Ook Mendel gaat op onderzoek uit en steunt Dzierzon; de Kerk echter was daar minder blij mee en verbrandde alle geschriften van Mendel en "redde zo de wereld van de ondergang". Dzierzon legde in 1869 zijn ambt neer.

Tot op hoge leeftijd moest Dzierzon zijn theorie verdedigen tegen apotheker Metzger uit Budapest ; tegen de wetenschapper Dickel in 1891: "de moer legt alleen bevruchte eitjes!" een mening die vele wetenschappers bleven aanhangen; zelfs in augustus 1959 nog[5].


Navigatie

naar Dzierzon's bijdrage aan de mondiale opmars van de Apis mellifera ligustica.


Bronnen

  • Dzierzon. Theorie und Praxis des neuen Bienenfreundes. 1852.
  • Dzierzon's rational bee-keeping; or The theory and practice of dr. Dzierzon of Carlsmarkt, Translated by H. Dieck and S. Stutterd, ed. and revised by C. N. Abbott, Published by Houlston & sons, 1882

Voetnoten

  1. het oudduitse 'zoll' is ongeveer evengroot als de oudnederlandse 'duim' en de nog steeds gebruikte engelse 'inch' oftewel ongeveer 2,54 cm
  2. blz.57 van Dzierzon's rational bee-keeping; or The theory and practice of dr. Dzierzon of Carlsmarkt, Translated by H. Dieck and S. Stutterd, ed. and revised by C. N. Abbott, Published by Houlston & sons, 1882
  3. Dat essay verscheen in de: Bienenzeitung (ook wel: Eichstadt Bienenzeitung), uitgegeven door Dr. C.Barth en A.Schmid in Eichstadt. Jaargang 1 (1845), blz 113.
  4. Carl Th. Ernst Siebold. On a true parthenogenesis in moths and bees, a contribution to the history of reproduction in animals. London, J. Van Voorst, 1857.
  5. Maes in het maandblad van de Vlaamse Imkersbond.