Eierleggende werksters

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
De aanwezigheid van eierleggende werksters is duidelijk herkenbaar doordat er meerdere eitjes in een cel zitten[1].

Eierleggende werksters zijn werkbijen die eitjes leggen.


Als hier massaal sprake van is dan gaat het volk (tenzij de bijenhouder met succes ingrijpt) zondermeer ten gronde.

De bijenhouder herkent deze situatie doordat hij/zij cellen met meerdere eitjes aantreft.

Eierleggende werksters ontstaan pas massaal nadat een volk het al enige tijd zonder koningin en dientengevolge ook zonder open broed heeft moeten stellen. Het volk gaat ten gronde omdat (eierleggende) werksters niet paren (hun lichaamsbouw is daartoe ook niet geschikt) en derhalve alleen onbevruchte eitjes kunnen leggen die dus alleen darren opleveren[2].



Eierleggende werksters in een goed functionerend volk

In een goed functionerend volk - met een goed leggende koningin en dus ook open broed - komen maar weinig eierleggende werksters voor. Zowel de koningin als het open broed scheiden namelijk feromonen[3] af die er voor zorgen dat de eierstokken van de werkbijen niet (goed) tot ontwikkeling kunnen komen.

Ratnieks[4] heeft van zo'n goed functionerend volk zo'n 10.000 werkbijen ontleed en vond daarin slecht 1 volgroeid ei (en 7 nog onvolgroeide).

In zo'n volk zijn de eitjes van de weinige eierleggende werksters bovendien zelden van een kwaliteit dat ze door de eicontrole komen. Het beeld van meerdere eitjes in een cel zul je in een goed volk dan ook niet aantreffen.

Het geringe aantal eierleggende werksters fluctueert wel naar gelang seizoen en zwermneiging. Deze fluctuaties zijn omgekeerd aan de fluctuaties in de grootte van het broednest (en de daardoor geproduceerde feromonen).


Eierleggende werksters in een volk zonder koningin

In een volk zonder koningin, en dus (binnen de kortste keren) ook zonder open broed, ontbreken (op termijn) de genoemde feromonen. Hierdoor komen de eierstokken van de werkbijen alsnog massaal tot (een betere) ontwikkeling.

In het begin zullen de resulterende eitjes nog steeds niet door de al genoemde eicontrole komen, maar naarmate de eierstokken beter worden zullen ook de eitjes beter worden, wèl door de eicontrole komen, en daadwerkelijk darrenlarfjes gaan opleveren.

Naarmate de eierstokken groeien gaan de eierleggende werksters ook steeds meer feromonen afscheiden die normaal gesproken zijn voorbehouden aan de koningin.

Tegen de tijd dat er darrenlarfjes ontstaan produceren de eierleggende werksters samen met het door hen gelegde open (darren)broed, genoeg feromonen om het volk zich niet meer moerloos te laten voelen. Deze feromonen voorkomen bovendien dat uiteindelijk alle werkbijen eierleggende werksters worden. In zo'n volk met massale eierleggende werksters lijkt oppervlakkig gezien dan ook niets aan de hand (het gedraagt zich rustig, haalt stuifmeel, etc.). Zo'n volk accepteert ook geen nieuwe vreemde koningin.


Een eierleggende werkster kan in een volk zonder koningin en zonder open broed maximaal zo'n 19 - 32 eitjes leggen[5]. Dat is een beperkt aantal. Om als eierleggende werkster succesvol te zijn moeten de eierstokken niet te vroeg tot ontwikkeling komen (want dat levert te lage kwaliteit eitjes op die niet door de eicontrole komen), maar ook niet te laat (want dan wordt de optimale ontwikkeling van de eierstokken al weer gehinderd door het open broed van de andere eierleggende werksters, en bovendien zijn er gaandeweg steeds minder werkbijen die voor het broed zorgen).


Ondanks het beperkte aantal (succesvolle) eitjes per eierleggende werksters produceert zo'n volk toch een uitzonderlijk groot aantal darren in korte tijd[6]. Dit komt simpelweg doordat het aantal eierleggende werksters in zo'n volk echt massaal is.


Hoe snel ontstaan eierleggende werksters?

Al ergens voor het jaar 1792 werd door ene Riem beweerd dat werkbijen eitjes zullen leggen, zodra de koningin uit een volk wordt verwijderd[7]. Doordat ook het open broed het ontstaan van eierleggende werksters onderdrukt zit er echter nog wel wat tijd tussen het verdwijnen van de koningin enerzijds, en het optreden van eierleggende werksters met levensvatbare eitjes anderzijds. Van nature zal het volk in die tussenliggende periode dan ook via een redcel een nieuwe koningin hebben gemaakt. Pas wanneer deze nieuwe koningin niet (snel genoeg) aan de leg raakt zullen er massaal eierleggende werksters ontstaan die voldoende eitjes van levensvatbare kwaliteit leggen.

De tijdspanne tot het massaal ontstaan van eierleggende werksters is per ondersoort[8] verschillend en kan varieren van zo'n 6 tot 30 dagen[9] vanaf het moment dat de eierstokonderdrukkende feromonen zijn verdwenen of zijn verminderd. Bij onze noordelijke ondersoorten is dat gemiddeld na zo'n 24 dagen[6]. Gemiddeld, want afhankelijk van de toestand van het volk voorafgaand aan het verdwijnen van de koningin (waarbij met name de grootte van het broednest een grote rol speelt) kan dat gemakkelijk meer of minder zijn.

Werkbijen uit de ene halfzustergroep (met dezelfde vader) worden daarbij eerder eierleggend dan werkbijen uit de andere halfzustergroep[6]. Toch resulteert dit er meestal niet in dat de snelste halfzustergroep het ontstaan van eierleggende werksters in de andere halfzustergroepen geheel onderdrukt. Naast genetische eigenschappen speelt namelijk ook de individuele conditie van de werkbij een grote rol[5]. In concreto gaat het dan om werkbijen met (nog) goed gevulde vetlichaampjes die daardoor - net als winterbijen - ook langer leven. Dergelijke werkbijen ontstaan ook juist doordat er met het vertrek van de koningin steeds minder broed meer te verzorgen is.

Al met al ontstaan er meestal ook eierleggende werksters in de halfzustergroepen die er genetisch minder snel toe geneigd zijn[6].


Het gedrag van eierleggende werksters

Eierleggende werksters leggen hun eitjes bij voorkeur in darrenraat[6], maar als dat er niet is dan leggen ze ook gewoon in werksterraat. De uit werksterraat komende darren zijn vervolgens kleiner dan die uit darrenraat.

Het ontstane broednest vormt geen aaneengesloten geheel zoals dat van een koningin, maar is als los zand over meerdere raten verspreid.

Voorafgaand aan de eileg inspecteert de eierleggende werkster eerst het inwendige van een cel door er met haar hoofd in te gaan. Na de inspectie draait ze zich om en positioneert ze haar achterlijf in de cel. In tegenstelling tot de grotere koningin moet ze daarna ook haar hele borststuk in de cel laten zakken om de bodem te bereiken. Soms blijven de vleugels daarbij boven de rand van de cel haken zodat de vleugels naar boven klappen en beschadigen.

In het onderstaande filmpje zie je verschillende eierleggende werksters. Aan het eind zie je dat zo'n eierleggende werkster zelfs een hofstaat kan hebben.

Het aldus gelegde eitje zit bij aanvang niet anders in de cel dan een door een koningin gelegd eitje.

Het beeld van meer eitjes per cel, waarvan de meeste slordig zijn geplaatst, ontstaat pas nadat ook andere eierleggende werksters in dezelfde cel een eitje gaan leggen. Hierbij worden de al eerder gelegde eitjes aan de kant geduwd.

Hier zie je niet alleen meerdere eitjes per cel, maar ook meerdere larven. Uitiendelijk zal alleen de eerste/grootste darrenlarve het redden. De anderen worden verwijderd/opgegeten.

Het aantal eitjes per cel is meer of minder naar gelang er minder of meer plek is om te leggen, en naar gelang er al meer of minder eierleggende weksters in het volk aanwezig zijn.

Eierleggende werksters consumeren veel stuifmeel, en ook de eventuele overtollige inhoud (eitjes en larfjes) van een cel. Deze eitjes en larfjes kunnen zo een bron van eiwitten zijn voor haar eigen eiproductie.


Maatregelen tegen eierleggende werksters in een volk zonder koningin

Het is ondoenlijk om de eierleggende werksters uit een volk te verwijderen. Enerzijds omdat ze niet zo gemakkelijk van de andere werkbijen te onderscheiden zijn, anderzijds omdat het er zoveel kunnen zijn. Het vinden van één koningin kan soms al knap lastig zijn, laat staan een onbekend aantal eierleggende werksters.


Het zomaar introduceren van een nieuwe koningin in zo'n volk met eierleggende werksters gaat vaak fout omdat het betreffende volk zichzelf niet als moerloos beschouwd.


Her en der wordt als oplossing gegeven om op een afstandje het gehele bijenvolk af te slaan, waarna de bijenloze kast en bijenloze ramen met een nieuwe koningin op de oude plek worden terug gezet. De achterliggende veronderstelling is dat de eierleggende werksters niet (terug) kunnen vliegen. Dit is onjuist!![5][10] Ook deze methode gaat daarom vaak fout[11]


Als je het volk echter afslaat zonder terugplaatsing van de kast, dan proberen de eierleggende werksters zich (meestal zonder succes) bij de buurvolken in te bedelen, waarbij er ook bij de buurvolken slachtoffers kunnen vallen. Afzwavelen of het simpelweg ten gronde laten gaan is meestal voor zowel de bijen als de imker de beste keus.


Wil je echter kost wat het kost het volkje een kans geven dan bieden de volgende methoden nog de meeste kans op succes:

  • Voeg voorafgaand aan de nieuwe koningin twee keer open broed uit andere volken toe[12]. Deze methode gaat als volgt:
    • Zet het volk, als het inmiddels niet zo groot meer is, in een kleinere kast.
    • Voeg zoveel ramen met open broed uit andere volken toe als het volk kan warm houden.
    • Breek na 9 dagen de aanwezige redcellen[13] en verwissel de ramen (ten dele) weer met ramen met open broed uit de donorvolken.
    • Breek wederom na 9 dagen de redcellen en voer een bevruchte[14] koningin in.


  • Voeg een bevruchte koningin in met behulp van een indrukkooitje. Deze methode gaat als volgt:
    • Zet het volk, als het inmiddels niet zo groot meer is, in een kleinere kast.
    • Geef het volk een raam met uitlopend broed, lege cellen en nectar uit een ander volk.
    • Voeg op dat gedoneerde raam een bevruchte koningin in met behulp van een indrukkooitje. Het in het kooitje bij de koningin uitlopende broed zal de koningin meteen accepteren en voor haar zorgen. De nectar biedt voer, en de koningin kan in de lege cellen eitjes leggen. Als dan na een tijdje het indrukkooitje wordt verwijderd dan wordt de nieuwe koningin, doordat ze ook al eigen broed heeft, gemakkelijker geaccepteerd.
    • Deze methode kun je uiteraard voor alle zekerheid vooraf laten gaan door het aanbieden van gesloten broed. Na 9 dagen is dit broed gesloten en kun je het (na het breken van de redcellen[13]) omwisselen voor het benodigde raam met uitlopend boed, lege cellen en nectar.


In plaats van behoud van het volkje kun je ook proberen om het eierleggende-werksters-volkje aan te wenden ter versterking van een nog in ontwikkeling zijnd moergoed volkje. Deze beide volkjes moet je dan wel op een veilige manier met elkaar verenigen. De volgende manieren zijn voorbeelden van veilig verenigen:

  • Manier met loopraampje:
    • Zet bovenop het moergoede volk een lege broedkamer.
    • Doe daar 1 leeg raampje als loopraampje in.
    • Zet daar je eierleggende-werksters-volkje bovenop (zonder bodem, maar wel met een eigen vliegopening!).
    • De feromonen van de koningin en het in verhouding vele open broed zal de neiging tot het leggen van eitjes door de eierleggende werksters onderdrukken.
    • Haal na 10 dagen de tussenkast en de extra vliegopening weg (de werksters zijn gestopt met leggen, en de bijen hebben inmiddels elkaars geur aangenomen).
  • Manier met open broed:
    • je geeft het volk met eierleggende werksters een raam open broed,
    • als het vorige raampje is verzegeld dan geef je (na het eventele breken van redcellen) nog eens een raampje met open broed,
    • hierna zullen de eierleggende werksters voldoende zijn gestopt, breek je weer de redcellen, en kan het volk met een moergoed volk worden verenigd.


Voetnoten

  1. Let wel: Jonge koninginnen, die pas aan de leg zijn, moeten nog wel eens wennen en leggen in het begin ook nog wel eens meerdere eitjes in een cel.
  2. Dit is niet bij alle ondersoorten van onze Westerse honingbij zo. Werkbijen van de Apis mellifera capensis kunnen in zo'n situatie namelijk ook diploïde eitjes leggen waar wel werkbijlarfjes en ook nieuwe koninginnen uit kunnen komen.
  3. Repectievelijk koninginmandibulair feromonen en broedferomonen
  4. Francis L.W. Ratnieks. Egg-laying, egg-removal, and ovary development bij workers in queenright honey bee colonies. Behavioral Ecology and Sociobiology (1993, 32), blz. 191-198.
  5. 5,0 5,1 5,2 Peter Elshout. Bultbroed, een degeneratieverschijnsel. Bijen, maart 204, blz. 82-84.
  6. 6,0 6,1 6,2 6,3 6,4 R.E.Page jr, E.H.Erickson. Reproduction by worker honey bees (Apis mellifera L.). Behavioral Ecology and Sociobiology, (23, 1988), blz. 117-126.
  7. Carl Th. Ernst Siebold. On a true parthenogenesis in moths and bees, a contribution to the history of reproduction in animals. London, J. Van Voorst, 1857, blz. 38.
  8. Binnen Imkerpedia onderscheiden we soorten, ondersoorten (rassen), stammen en lijnen.
  9. F.Ruttner, B.Hesse. Rassenspezifische Unterschiede in Ovarentwicklung und Eiablage von weisellosen Arbeiterinnen der Honigbiene Apis mellifera L.. Apidologie (12, 1981), blz.159-183.
  10. P.van den Berge (vertaler). Eierleggende werksters. De honingimkers, infoblad 148, okt. nov. dec. 2009.
  11. Vaak is niet altijd. Als je het probeert met een nog onbevrucht koninginnetje, dan is een mislukking natuurlijk ook weer niet zo'n ramp. Het kost je hooguit dat onbevruchte koninginnetje.
  12. Dat is anders dan bij de moerloosheidsproef, want dan doe je dat slechts 1 maal. Daarna weet je of het volk moerloos is.
  13. 13,0 13,1 Zijn er op dat moment geen redcellen te breken dan is het volk al te ver heen, en is ook deze methode gedoemd om te mislukken.
  14. Als je geen bevruchte koningin hebt dan breek je de redcellen pas na 13 dagen met behoud van een van de nieuwe koninginnen. Doe dit niet al na de eerste periode van 9 dagen want dan zijn wellicht nog niet alle eierleggende werksters onder controle met alle gevaar van dien voor de nieuwe koningin.