Het ontgiftend vermogen van onze honingbij

Uit Imkerpedia
Versie door Albert Stoter (Overleg | bijdragen) op 6 okt 2017 om 09:21

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

Honingbijen komen bij het foerageren met allerlei stoffen in aanraking, en uiteraard kunnen sommige daarvan ook giftig zijn. Hierbij kan het zowel gaan om giftige dracht, als om bestrijdingsmiddelen zoals gebruikt in de landbouw[1], of door de particulier aangeschaft in het tuincentrum.

Deze confrontatie met giftige stoffen hoeft niet automatisch tot sterfte van de betreffende honingbij (of van het ontvangende bijenvolk) te leiden, omdat onze honingbij zichzelf ook kan ontgiften. Uiteraard hangt het succes van het ontgiften af van zowel de conditie van de betreffende honingbij[2] als van de concentratie van het betreffende gif. Die concentratie moet uiteraard niet direct dodelijk zijn (maar subletaal). Een direct dodelijke concentratie heeft overigens (door de directe sterfte van de betreffende honingbij) wel als "voordeel" heeft dat het betreffende gif niet in het bijenvolk terecht komt.

De ontgifting vind plaats door de werking van een aantal enzymproducerende genen. Zodra onze honingbij (of de honingbijlarve) met giftige stoffen in aanraking komt worden deze genen geactiveerd, en worden er enzymen aangemaakt die die giftige stoffen afbreken.

Zo kan onze honingbij zowel varroabestrijdingsmiddelen als coumaphos en fluvalinaat[3] als neonicotinoïden (zoals imidacloprid[4]) afbreken.

Voetnoten

  1. Bijvoorbeeld leidende tot spuitschade.
  2. Denk o.a. aan de conditie van de vetlichaampjes.
  3. W.Mao, M.A.Schuler, M.R.Berenbaum. CYP9Q-mediated detoxification of acaricides in the honey bee (Apis mellifera). Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America, 2011 Aug 2;108(31):12657-62.
  4. Séverine Suchail, Laurent Debrauwer, Luc P. Belzunce. Metabolism of imidacloprid in Apis mellifera. Pest Management Science, Volume 60, Issue 3, pages 291–296, March 2004.