Juveniel hormoon

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Een werkbij voert in haar leven achtereenvolgens verschillende taken uit. Het overstappen van de ene op de ander taak is mede het gevolg van hormonale ontwikkelingen.

Vooral het juveniel hormoon (afkorting: JH) speelt hierbij een grote rol. Het JH wordt geproduceerd door de corpora allata in de kop van de bij. In het hemolymfe wordt JH weer afgebroken.

Het gehalte JH in het hemolymfe neemt in iedere opvolgende arbeidsfase toe. Zo is bij de jongste bijen het gehalte JH het laagst (en poetsen zij de broedcellen), en is bij de oudste bijen het gehalte JH het hoogst (en zijn het haalbijen).


Mede doordat deze "automatische" toename in JH kan worden geremd of juist kan worden versneld kan een bijenvolk zich aan verschillende omstandigheden aanpassen. Enkele voorbeelden:

  • Naar aanleiding van bijendansen kunnen voedsterbijen versneld overschakelen op volgende taken als nectarverwerking of zelfs het binnenhalen van een plotselinge dracht. Deze werkbijen ondergaan daartoe dan een versnelde hormonale ontwikkeling.
  • Via trophallaxis dragen haalbijen aan de nectarontvangende bijen het fourageerferomoon over dat de productie van JH afremt. Bij een tekort aan haalbijen zal er minder van dit hormoon worden overgedragen, en ontstaan er sneller nieuwe haalbijen.
    • Wanneer een imker een veger maakt, maakt hij een kunstzwerm met een overmaat aan jonge bijen. In die kunstzwerm zal dus het gehalte van het feromoon, dat de vorming van JH afremt, dalen. Hierdoor zullen een aantal jonge bijen versneld haalbij worden.
    • Wanneer een imker een vlieger maakt, maakt hij een volk met een overmaat aan oude bijen. Sommige van deze oude bijen gaan dan terug naar het stadium van huisbij. Zelfs de hypopharyngeale voedersapklier kan weer zodanig tot ontwikkeling gekomen dan ook broedverzorging weer tot de mogelijkheden behoort[1].
    • Bij winterbijen is er geen sprake van haalbijen. Het is nog de vraag hoe het gehalte JH dan onder controle wordt gehouden. Waarschijnlijk speelt vitellogenine daarbij een rol.


Bij andere insecten speelt JH vaak een stimulerende rol op de werking van vitellogenine, maar bij honingbijen lijkt deze relatie tegengesteld. Bij de honingbij gaat een hoog gehalte JH juist gepaard met een laag gehalte vitelogenine, en omgekeerd. Kunstmatige verhoging (of verlaging) van het gehalte van de een, leidt ook tot tegengestelde verlaging (of verhoging) van de ander.

In bijen van 2-3 dagen is er echter een tijdelijke piek in het gehalte JH. Dit suggereert dat JH (net als bij andere insecten) wel een positieve invloed heeft op de start van de productie van vitellogenine[2].


Voetnoten

  1. Zhi-Yong Huang, Gene E. Robinson. Regulation of honey bee division of labor by colony age demography. Behavioral Ecology and Sociobiology (39, 1996), blz. 147 – 158.
  2. Kate E. Ihle, Robert E. Page Jr, Katy Frederick, M. Kim Fondrk, and Gro V. Amdam. Genotype effect on regulation of behaviour by vitellogenin supports reproductive origin of honeybee foraging bias. Animal Behaviour, 2010 May 1; 79(5): 1001–1006.