Kanitz

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken

De eerste versie van onderstaande tekst is integraal overgenomen vanaf het imkerforum. Oorspronkelijke auteur aldaar: Hennie Oude Essink


Johann Gottlieb Kanitz (uitvinder van de stapelkorf) werd geboren in 1816 te Eisenbart in het toenmalige Oost Pruisen, waar zijn vader een smederij had. Johann moest van de smidse niet veel weten; hij zat liever te dromen bij zijn Klotzbeute, waarin hij hommels hield. Hij werd onderwijzer maar kon van dat beroep, dat hem maar “60 Thaler” loon opleverde, amper leven en op zijn 22e jaar nam hij een paar bijenvolken, om een bijverdienste te hebben.

Rand A moest de voorbouw leveren voor het eigenlijke broednest; hierin werd een voorzwerm ondergebracht; als rand A was volgebouwd werd rand B er onder geplaatst en daarna zo nodig nog een derde rand. Hiermee was het probleem van ruimtetekort en voortijdig zwermen opgelost. De korfimkerij ging een nieuwe episode in. In heel Pruisen werd weldra door ieder die geen “mobielbouw” wilde, met deze korf geïmkerd.
Afb.1 laat een korf zien, waarin op de platte afdekking van de broedruimte een spon is aangebracht met een doorsnee van plm.7 cm.; deze kan bij het voeren met een ballon worden benut; bij niet gebruik wordt hij afgesloten met een kapje; bij goede dracht komt er een moerroostertje op en wordt een halve bol van stro geplaatst, waarin enige spijlen kwamen met voorbouw met de bedoeling om zuivere raathoning te verkrijgen. Kanitz experimenteerde ermee maar vond de resultaten weinig bevredigend. Afb.2 Veel tijd en inspanning besteedde Kanitz aan proeven met een houten vierkant kastje op de broedruimte; Van de broedruimte nam hij het platte deksel weg; de draaglatten lieten genoeg ruimte vrij voor de bijen om erdoor naar boven te gaan; moerrooster erop en dan het opzetkastje “in warmbouw” ( dus dwars op de raten in de broedruimte die “in koudebouw” stonden) . Op de vierkante honingruimte werden 9 latjes met in 2á3 latjes voorbouw aangebracht; zuivere tafelhoning en raathoning moest het opleveren. Al te vaak werd er in de honingruimte geen raat gebouwd. Afb.3 Uiteindelijk ging Kanitz ertoe over speciale honingranden te maken van stro; dik stro en goed aansluitend om geen warmte verloren te laten gaan; de honingkamerranden waren 15 cm hoog (broedkamer 21cm.!); deze compartimenten kregen 8 draaglatjes met groef en smalle voorbouw. Nog steeds vond ook hier “stabielbouw” plaats; vaste bouw dus van raten die door de ronde vorm van de rand allen ongelijk van lengte waren.
Nog een Kanitz Magazijnstok met twee gelijke randen. Deksel en randen zijn hier met pennen vastgezet; meestal worden krammen gebruikt. “bijen bouwen naar beneden; honing wordt boven in het warme gedeelte opgeslagen” : Om bijen boven in de honingruimte te laten bouwen; zette Kanitz de honingrand met enige voorbouw eerst onderop; als de bijen begonnen zijn met de bouw wordt de rand naar boven geplaatst; om de honingruimte warm te houden komt er een strokap overheen; de kap wordt op zijn plaats gehouden met de pin op het deksel.


Die eerste volken leverden hem niet veel op en al snel begreep hij dat het roer om moest, als hij met bijenvolken zijn inkomen wilde verhogen.


Dzierzon en de zijnen bewandelden met hun houten kasten nieuwe wegen; waarom zou hij het niet met de vertrouwde en veel goedkopere strokorf proberen! Hij sloeg aan het experimenteren met allerlei modellen en methodes. Al snel werd hij bijenteeltleraar, een functie die hij 60 jaar lang zou uitoefenen; zijn cursisten wilden maar al te graag de strokorf behouden en leren hoe zij er mee om moesten gaan. Kanitz had sukses, kreeg alom bekendheid en weldra werden in heel Pruisen en ver daarbuiten zijn vindingen overgenomen.


Toen zijn honingopbrengsten aanzienlijk verbeterden, begreep hij ook, dat hij veel aandacht moest geven aan het verbeteren van de dracht en hij werd daarvan een groot propagandist.


De lange titel van het boek, waarin hij in briefvorm zijn bevindingen heeft beschreven, geeft precies zijn aandachtspunten weer: J.G.Kanitz: Honig - und Schwarm Bienenzucht oder sichere und deutliche Anweisung, wie die Bienen bei Stabil –, Mobil – und Gemischte Betriebe behandeld werden müssen um gute Erfolge zu erzielen. (Oftewel letterlijk vertaald: Honing - en zwerm bijenteelt ofwel vaste en duidelijke aanwijzingen, hoe bijen in bedrijven met de stabiele -, de mobiele – of de gemengde methode behandeld moeten worden, om goede resultaten te bereiken). Het boek verscheen in 1852 en bereikte 9 oplages!


In 1855 begint Kanitz een eigen tijdschrift: de “Preusische Bienenzeitung”; het tijdschrift ging in 1944 te gronde en bereikte dus 89 jaargangen.


In 1848 komt Kanitz met zijn “Nieuwe Bijenwoning”: de Kanitz Magazijnstok; bestaande uit twee stroringen van gelijke hoogte. Vanuit onze optiek lijkt dit een weinig spectaculaire vondst; in Kanitz’ tijd betekende het uitbreiden van de broedruimte en het volledig scheiden van broed - en honingruimte een revolutionaire verandering in het korfimkeren.


Om gelijke honingraten te krijgen is Kanitz in een later stadium de ronde randen gaan vervangen door vierkante. In de broedruimte heeft hij steeds stabielbouw toegepast; mobielbouw in de honingruimte verkreeg hij toen hij, in plaats van latjes met voorbouw, raampjes in de honingrand ging aanbrengen. Na 1860 werd de bijenafstand zoals Langstroth die bepaalde ook in Europa bekend en toegepast. Na zijn proefnemingen met de vierkante korf is Kanitz uiteindelijk op dubbelwandige houten kasten overgestapt, waarop hij bakken zette voor de honing. Bovenbehandeling dus zoals hij met zijn korven gewend was en niet de achterbehandelingskast die door Dzierzon werd gepropageerd.


Op 11 januari 1899 overlijdt Kanitz op de leeftijd van 83 jaar. In het maartnummer van 1899 van het Groentje staat een in memoriam: “Door zijn heengaan heeft de keurbende der Duitsche imkers weder een wakker strijder verloren. De imkers der beschaafde volken, dus ook wij, waardeeren zijn arbeid en zullen zijn nagedachtenis in eere houden.


Een aantal modellen van Kanitz kregen ook bij ons ingang; De Mellona korf, door de handelaar de Meza ontworpen, werkte met tussenranden en werd afgesloten door een honingkoepel met gewelfde kop. Met mes of ijzerdraad werd de honingkoepel losgesneden van de rand eronder; dit leidde tot veel gemors en de korf vond weinig aanhang. De Uddeler vierkante korf wordt nog volop gemaakt en gebruikt om op de heide prachtige raathoning te winnen.

Grote bekendheid en navolging kreeg de korf van de heer Teunis Boxma 1863 – 1946.: hij introduceerde zijn Boxma korf in 1910. De korf is rond, heeft rechtopstaande wanden, een plat deksel en zij werd geverfd; bruin of blauw waren favoriet. Om de bijen de honingkamer in te dwingen werd de weg naar beneden afgesloten met een ronde plank. De korf was 49 cm. hoog en had een diameter van 39 cm.

Ook de Els-gigantkorf van forumdeelnemer Els Kleijnendorst moet in deze traditie worden bezien.