Koudeprik

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Een koudeprik is een periode met koudere buitentemperaturen.

Afhankelijk van de tijd van het jaar heeft een koudeprik voor onze honingbij verschillende gevolgen[1]:

  • Een koudeprik in het najaar (met temperaturen onder 0 °C.) heeft meestal als gevolg dat de dan reeds steeds minder leggende moer helemaal stopt met de eileg. Pas na de kortste dag (als de dagen dus weer beginnen te lengen) zal ze dan weer beginnen met de eileg. Zo'n eerste koudeprik eind oktober / begin november geeft dus een langere broedloze periode dan wanneer die eerste koudeprik pas later in het najaar komt. Als zo'n koudeprik in het najaar helemaal uitblijft, is er zelfs een grote kans dat de moer (hoewel in geringe mate) gewoon door blijft gaan met eitjes leggen. Het oxaalzuur druppelen rond kerst is daarmee vooral effectief als er langer dan 3 weken daarvoor sprake is geweest van een kouderprik. Oxaal werkt immers niet in gesloten broed.
  • Een koudeprik (met temperaturen onder 0 °C.) rond de kortste dag zal er voor zorgen dat een met leggen gestopte moer dan nog niet weer aan de leg zal gaan. Ongeacht de buitentemperaturen zal de moer ergens medio januari echter beslist weer gaan leggen. Het bijenvolk weet dat het voorjaar er weer aan komt.
  • Een koudeprik (met ineens lagere temperaturen, maar dat hoeft niet perse tot onder de 0 °C. te zijn) in de rest van het jaar, wanneer het volk dus al een flink broednest heeft, kan soms als gevolg hebben dat het volk niet meer in staat is om het gehele broednest op de benodigde 35 °Celsius te houden. Dit risico is het grootst bij de groeiende broednesten in het voorjaar. Na zo'n koudeprik vind je dan veel gestorven poppen op of voor vliegplank. Waarschijnlijk zijn deze dan gestorven aan de randen van het broednest, met daarbij bovendien een grote kans op kalkbroed.

Voetnoten

  1. Waarbij de koudegevoeligheid natuurlijk niet voor elk bijenvolk hetzelfde is. Naast genetische aspecten zal de koudegevoeligheid vooral ook beïnvloed door de grootte van het volk, de grootte van de bijenwoning en de mate waarin de bijenwoning is geïsoleerd. Een groot bijenvolk in een goed passende en goed geisoleerde bijenwoning zal zowel langer doorbroeden, als na de broedloze periode weer eerder beginnen met broeden. Een flinke varroabesmetting kan er overigens ook voor zorgen dat een volk in het najaar langer door wil broeden om nog voldoende winterbijen te krijgen.