Linnaeus

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Linnaeus, geboortenaam: Carl von Linné, arts en botanicus, beschreef 7000 plantensoorten en deelde ze in naar haar geslachtsorganen: meeldraden en stampers.

Op 23 Mei 1707 werd Carl von Linné (de latere Linnaeus) in het Zuid-Zweedse dorpje Räshult geboren. Zijn vader was dominee en hield van tuinieren. De vele planten die pa in zijn tuin had, boeiden Carl mateloos. In zijn jonge jaren was hij uit de tuin niet weg te slaan.

De jongen was intelligent en na zijn basisopleiding wilde hij studeren. Voor zijn vader stond de studiekeuze vast: theologie moest het zijn. Carl had hier echter geen zin in en volgde na veel strubbelingen een medicijnen opleiding aan de universiteiten van Lund en Uppsala. Van deze studie was in die tijd botanie (plantkunde) het belangrijkste onderdeel. Kennis van geneeskrachtige kruiden was immers essentieel in de geneeskunde.

In 1730 maakt hij een onderzoeksreis naar Lapland en Noord Zweden, waar hij planten en mossen bestudeerde. Hij studeerde af in Uppsala met een proefschrift over de Malaria in de Zweedse moerassen.

Het was gebruikelijk wetenschappelijk werk in het Latijn te schrijven. Carl von Linné koos als zijn Latijnse naam: Carolus Linnaeus.

Op grond van de verschillend gevormde geslachtsorganen kwam Linnaeus tot 24 klassen planten.

Intussen had hij zich verloofd met Sara Moraea, dochter van de zeer bemiddelde arts Moraeus, die hem in staat stelde in het buitenland zijn doctorsgraad te halen. In Zweden kon dat toen niet. Hij koos ervoor naar Nederland te gaan, toen een trekpleister van veel grote geleerden.

Promoveren in Harderwijk kon snel in die dagen. Linnaeus kwam er aan op 17 juni 1735. In drie dagen maakte hij zijn dissertatie af en 3 dagen later was het werk gedrukt en kon hij zijn dissertatie met succes verdedigen.

Op 24 juni nam hij zijn intrek in de beroemde tuinen en kassen van de Hartecamp op het landgoed van de bij de VOC schatrijk geworden Amsterdamse koopman Clifford. Deze was een groot plantenliefhebber en had zijn landgoed, gelegen op de grens van Heemstede en Bennebroek, ingericht met een keur van de meest exotische planten, die hij van overal vandaan had laten komen. Hij stelde Linnaeus aan als zijn lijfarts, tevens als beheerder van zijn plantenrijkdom met de opdracht er een geïllustreerde inventaris van te maken. Talloze tekeningen zijn bewaard gebleven en de uitgave maakte Linnaeus alom bekend. Ook zijn vroegere studie uit Lapland kon nu in druk verschijnen.

Het Linnaeusklokje is de enige door Carl Linnaeus naar zichzelf vernoemde plant. Linnaeus beschreef het plantje in zijn Flora Lapponica. Linnaeus wordt vaak afgebeeld met dit plantje in zijn hand of op zijn revers.
.

In hetzelfde jaar 1735 verscheen in Leiden zijn Systema naturae, waarin hij zijn nieuwe systeem om de natuur in te delen introduceerde.

Zijn beoogd schoonvader was tevreden en gaf toestemming voor het huwelijk met zijn dochter. Linnaeus keerde daartoe in 1738 terug naar Zweden, waar hij tot aan zijn dood in 1778 gebleven is. Sinds 1742 als hoogleraar geneeskunde en plantenkunde aan de universiteit van Uppsala. Hij werd begraven in de kathedraal van Upssala.

Zijn beroemde plantkundeboek Species plantarum verscheen in 1753. Hij beschrijft daarin meer dan 7000 plantensoorten. In plaats van de toen gebruikelijke ellenlange omschrijvingen benoemt Linnaeus de planten twee namen. De geslachtsnaam, gevolgd door de soortnaam. Dt noemt men de door Linnaeus ingevoerde binaire nomenclatuur: eenvoudig, krachtig, eenduidig in een universele taal; alle plant- en dierkundigen weten nu precies wat bedoeld wordt.


Linnaeus en onze westerse honingbij

Toen Linnaeus onze westerse honingbij beschreef, kende hij alleen de toen in Zweden voorkomende donkere bij en hij noemde haar (in de 1e druk van de Systema naturae) Apis mellifica. “Mellifica” betekent in het Latijn echter “honingmaakster”, en dat wordt bij Romeinse schrijvers alleen van bloemen gezegd, niet van bijen, die de nectar overbrengen en daarom “mellifera” (honingbrengster) heten. In de 10e druk van zijn werk in 1758 verbetert Linnaeus de term. Intussen wist hij toen ook, dat er meer ondersoorten[1] westerse honingbij waren. Sindsdien heet bij hem de 'donkere bij': Apis mellifera mellifera. Deze benaming geldt sindsdien als de juiste.


Voetnoten

  1. Binnen Imkerpedia onderscheiden we soorten, ondersoorten (rassen), stammen en lijnen.