Maneschijnparing

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken

De maneschijnparing (van het Duitse 'Monscheinbegattung') is een vorm van gecontroleerde paring die gebaseerd is op het feit dat bruidsvluchten van nature in een betrekkelijk korte tijd in de namiddag plaatsvinden. Als je er dan voor zorgt dat de voor de teelt uitgezochte koninginnen en darren rond die tijd niet kunnen uitvliegen, en er vervolgens voor zorgt dat ze nadien wel kunnen uitvliegen, dan worden ze daardoor wel gedwongen met elkaar te paren. Uiteraard moet het niet zo zijn dat andere bijenhouders in de omgeving hetzelfde doen.


In Duitsland wordt deze werkwijze sinds 2001 door Imkerei Gilbert Bast toegepast bij de buckfast-teelt. Gilbert Bast vermeldt dat een goed resultaat onder andere afhankelijk is het type bijenkast en bevruchtingskastjes, de teelt en verzorging van de darren, het tijdstip van de bruidsvluchten, en de temperatuuur van de opslagruimte van de bevruchtingskastjes.


In Australië past Joe Horner deze methode toe[1], en noemt deze de paring bij ingeperkte vliegtijd (CFTM = Controlled Flight Time Mating). Hij doet dit als volgt:

Zodra de bevruchtingsvolkjes van een rijpe dop zijn voorzien, worden ze in een donkere koelruimte (met een voor de nacht normale temperatuur van 15 - 17°C) gezet en en krijgen ze dagelijks buiten de koelruimte een vliegtijd van slechts 2 uur die pas ingaat na de terugkomst van de "reguliere" darren[2]. Joe Horner heeft er uiteraard voor gezorgd dat de bevruchtingsvolkjes gedurende de vliegtijd telkens op dezelfde plaats staan.

De volkje lijken na 2 - 3 dagen aan de vliegtijdrantsoenering gewend te zijn. Ongeveer tien dagen later gaan de koninginnen aan de leg, maar bij ongunstig weer kan het wel tot vijf dagen langer duren. Hierna worden de bevruchtingsvolkjes weer verplaatst naar een plek met weer een normaal dag- en nachtritme.

De door Joe Horner in deze methode gebruikte darrenvolkenworden worden, vanaf het begin en gedurende de gehele tijd dat er paringen moeten gebeuren, alleen 's avonds vrij gelaten. Hierdoor wordt ook het binnendringen van vreemde darren wordt voorkomen. De werkbijen kunnen wel vliegen wanneer ze willen. De beperking in de vlucht van de darren wordt geregeld door de toepassing van kasten waarin op ongeveer 2 centimeter boven de bodem een rooster is gemaakt waar alleen de werkbijen door kunnen. Boven dat rooster zit een rand van eveneens 2 centimeter, zodat de onderkant van de onderste broedbak 2 centimeter boven het rooster zit. Er zit zowel vlieggat onder als boven het rooster, en middels een klep kan tussen de vlieggaten worden gewisseld.


Voetnoten

  1. Thomas Kober (vertaling Mari van Iersel). “Maneschijnparing”, Controle over de paring door een ingeperkte vliegtijd. bijenhouden, april 2008. Thomas Kober heeft zowel een buckfast-teelt-bedrijf in Duitsland als in Australië.
  2. Het reguliere vrijvliegende volk waarvan de darren het langst vliegen wordt als referentievolk gebruikt. De vertrekkende en terugkerende darren worden hier om de twee minuten geteld. De darren en koninginnen van de CFTM-volken worden pas vrijgelaten als bij het referentievolk alleen nog terugkerende darren worden gezien.