Mendel

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Gregor Johann Mendel.

Gregor Johann Mendel (1822-1884) heeft vooral bekendheid gekregen vanwege zijn experimenten met de tuinerwt. Het is veel minder bekend dat hij ook bijen hield en aan rassenteelt deed. Zonder zijn enthousiast voorwerk en zijn erfelijkheidswetten is de moderne bijenteelt ondenkbaar.

Johann Mendel werd op 22 juli 1822 geboren te Hyncice, in het huidige Tsjechië. hij was de enige zoon van een eenvoudige pachtboer, die als hobby fruitbomen kweekte. Later zal Mendel honderden kruisingen met fruitbomen uitproberen. Op de plaatselijke scholen viel hij op door zijn bijzondere intellectuele begaafdheid en belangstelling voor alles wat met natuur te maken had.

De abdij te Brno. De kloosterkerk stamt nog uit de tijd van Mendel. Sinds 1350 was de abdij een centrum van wetenschap en cultuur. Mendel trof er inspirerende collega´s, een allesomvattende bibliotheek, een botanische tuin, een herbarium en een behoorlijke bijenstand aan. Mendel werd zelf abt van het klooster in 1868. Zijn voorganger maakte hem zijn omvangrijke werk mogelijk en stimuleerde hem. Vanuit rivaliteit en jaloezie zal zijn opvolger al zijn niet gepubliceerde geschriften vernietigen.

Een hogere opleiding kon zijn vader echter niet bekostigen en zoals dat ging in die jaren kwam hij op 21 jarige leeftijd als novice terecht in de Thomas Abdij van de paters Augustijnen in het oude Brünn (het tegenwoordige Tsjechische Brno). Mendel was een vroom man en voelde zich snel thuis in het klooster. Na zijn studie theologie wordt hij priester gewijd in 1848 en kiest als kloosternaam: Gregor (Gregorius).

Na enig pastoraal werk koos Mendel al snel voor het onderwijs en gaf hij wiskunde en natuurwetenschappen op de plaatselijke middelbare school. Hij zakte echter voor zijn leraarsexamen.

van 1854 to 1865 test Mendel 34 varianten van de tuinerwt; deze plant kan uit zichzelf niet kruisbestuiven en is daarom voor hem bijzonder geschikt. Hij ontwikkelt een techniek om de bestuiving te regelen en nu gaat het om duizenden kruisingen per jaar, tien jaar lang; een gigantische klus die uiterste nauwkeurigheid vereist en goede aantekeningen. Pijn in zijn rug en aan zijn ogen houdt hij eraan over, maar hij staat nu wel aan de basis van de genetica.

Zijn abt liet hem naar Wenen gaan (1851-1853) waar hij aan de universiteit leerde hoe je experimenten moest opzetten en statistiek en wiskunde kon toepassen. Hij zal dit later bij zijn baanbrekende biologische (botanie en bijenteelt) experimenten gebruiken. Voor zijn examen evenwel zakte hij opnieuw.

In 1854 is hij terug in Brünn. Wederom als leraar, waar hij bij zijn leerlingen zeer geliefd is. Nu bereidt hij zich voor op de experimenten die hij in zijn hoofd heeft. Opnieuw bereidt hij zich voor op zijn examen in 1856, maar als het moment daar is, stort hij in en meldt zich ziek. Einde leraarsbaan en begin van zijn wetenschappelijk werk.

Het was Mendel opgevallen dat erwten een klein aantal specifieke eigenschappen vertoonden:

  • zaadvorm (glad of gerimpeld))
  • zaadlobkleur (groen of geel)
  • zaadhuidkleur
  • peulvorm
  • peulkleur
  • plaats van de peul aan de stengel
  • de lengte van de stengel (kort of lang)
De Nachtschone ontwikkelt vanuit het raszuivere rood en wit een mooie variatie aan kleuren; de bastaard van de twee zuivere kleuren is roze. Mendel ontdekte dat terugkruisen opnieuw het raszuivere rood en wit opleverde, volgens vaste schema´s en wetten. Het roze is geen vermenging van de kleuren rood en wit, zoals men sinds Aristoteles dacht, Darwin incluis, maar het resultaat van dikwijls onzichtbare erffactoren die in onveranderde vorm worden doorgegeven aan het nageslacht. In onze tijd noemen wij die erffactoren genen.

Uit kruisingsexperimenten bleek hem er een vaste regelmaat te vinden was in hoe de geselecteerde eigenschappen terug te vinden waren in de nakomelingen. Hij merkte op dat er geen tussenvormen van de geselecteerde eigenschappen ontstonden maar dat er een duidelijk verband bestond tussen de dominante eigenschappen en de recessieve: de wetten van Mendel.

Mendel kreeg op eigen verzoek zelf 40 gedrukte exemplaren van zijn "Pflanzen-Hybriden". Hij stuurde deze naar collega biologen. Hij kreeg er nauwelijks reacties op.

In 1865 heeft Mendel zijn eerste onderzoekingen met de tuinerwt afgerond; zij hebben tot opzienbarende conclusies geleid. Op de avonden van 8 februari en 8 mei brengt Mendel verslag uit van zijn onderzoekingen aan de plaatselijke "Vereniging voor Natuuronderzoek, Brünn". Beleefd, maar met onbegrip werden de uiteenzettingen aangehoord. Statistiek en wiskunde toegepast op de biologie: onzinnig vond men. De lezingen van Mendel werden opgenomen in de "Verhandelingen" van de vereniging; In 1866 gingen afzonderlijk gedrukte exemplaren hiervan naar 133 secretariaten van "Natur Vereine" en naar de grote bibliotheken en universiteiten van West Europa.

Mendel´s publicatie leverde hem een koele correspondentie op met Nÿgeli, professor Botanie aan de universiteit van München; deze geloofde niet in overerving van constante erffactoren en vond de proefnemingen met de 34 erwtvarianten van Mendel onvoldoende bewijs. Hij ried Mendel aan zijn proeven te herhalen maar nu met het Havikskruid. Mendel ging erop in en beleefde de teleurstelling van zijn leven: de plant vertoont een afwijkend seksueel gedrag en erft alleen langs de vrouwelijke lijn over. Wat Mendel ook probeerde, hij kreeg met die plant geen bevestiging van zijn wetten. Nÿgeli lachte in zijn vuistje. Mendel liet zich niet ontmoedigen en zocht troost in de fruitteelt, de akkerbouw en de bijenteelt. Nu hij weet, dat combinaties van erffactoren een vaste wetmatigheid volgen, probeert hij tot nieuwe varianten in de soort te komen. Meer dan 500 kruisingen op fruitbomen probeerde hij uit. Maar het is vooral de bijenteelt die hem bijzonder boeit.

In zijn tijd nam het importeren van vreemde bijenrassen juist een hoge vlucht, en ook Mendel bleef hierin niet achter. Uit heel Duitsland, Italië, Egypte en Amerika haalde hij volken binnen. In 1862 had Dzierzon met von Siebold de theorie van de Parthenogenese geïntroduceerd op het grote Duitse imkercongres. Mendel was hierdoor uitermate geboeid en verzamelde bewijzen voor die theorie.

Links: Mendel met bisschopskruis. De abt van een Augustijnenklooster was als zodanig ook bisschop. Rechts: Mendel´s wapenschild als abt/bisschop. De grote hoed met franjes duiden op de kerkvorst; links een lelie, eronder ineengevouwen handen; rechts onder het kruis een ploeg; daaronder Alpha en Omega: Begin en Eind.

In 1868, twee jaar na de Pflanzen-Hybriden, sterft de abt van het klooster. De paters kiezen uit hun midden de nieuwe abt. Mendel kwam in aanmerking met nog een collega. Voor Mendel was het duidelijk, dat zijn wetenschappelijke arbeid, als hij abt zou zijn, "op een laag pitje" zou komen. Maar hij was, wat men in Roomse kringen noemt, een "nederig" mens en gehoorzaam. Met algemene stemmen in de tweede ronde ging hij eraan; hij kreeg één stem tegen: zijn eigen!

De nieuwe functie slokte veel van zijn tijd op, maar had als voordeel dat hij van niemand afhankelijk was wat zijn werk met name in de bijenteelt betrof. De Kerk van Rome begon zich inmiddels tegen allerlei nieuwe inzichten te verzetten. Het boek van Christian Sprenger uit 1793, waarin deze de seksualiteit van bloemen had aangetoond en zijn tweede boek waarin hij op de noodzaak van bijenteelt had gewezen bij deze processen, waren al niet goed gevallen. De verrichtingen van Dzierzon en Mendel, beide toch geestelijken, en daarbovenop nog Darwin met zijn evolutietheorie, haalden teveel overhoop en stuitten op fel verzet. Dzierzon legde hierop in 1869 zijn ambt neer, maar Mendel viel als Augustijner abt niet onder de jurisdictie van Rome en kon in functie gewoon doorgaan en hij had de waarheid lief.

In 1870 verscheen in de reeds genoemde "Verhandelingen" een uiteenzetting van Mendel´s ervaringen met de Havikskruid-Hybriden.

In 1871 opent Mendel een nieuwe bijenstand met zo'n 50 volken. In hetzelfde jaar wordt hij vice- president van de "Mÿhrische Bienenzuchtverein", een vereniging met meer dan 1400 leden, die samen 70.000 bijenvolken hebben. Hier houdt hij voordrachten over zijn teeltproeven. Van deze voordrachten zijn helaas geen schriftelijke verslagen voorhanden.

Mendel bekleedde de functie van abt 16 jaar lang. In 1883 kreeg hij hartproblemen en functioneerden zijn nieren niet goed meer. Op 6 januari 1884 stierf hij, ook voor zijn tijd veel te jong, in de vroege ochtend, op 62 jarige leeftijd. Volgens tijdgenoten had hij te stevig gerookt met zijn 20 sigaren per dag.

Na hem werd zijn rivaal van 16 jaar geleden als opvolger benoemd. De eerste daad van de nieuwe abt was het vernietigen van alle geschriften die niet aan publikatie door Mendel waren toegekomen. Was het jaloezie of bekrompen onderdanigheid aan het kerkelijk vermaan?

50 miljoen jaren geleden werd deze "Electrapis" (barnsteenbij) door boomhars ingesloten aan de kust van de Oostzee. In 2006 werd in een mijn in de Hukawng-vallei in Myanmar (Birma) een fossiele bij in barnsteen gevonden die zelfs al 100 miljoen jaar oud was (ze werd de 'Melittosphex burmensis' gedoopt). Zij zijn de verre voorouders van onze hommel, honingbij en angelloze bij. Voor Darwin een evolutie op basis van natuurlijke selectie; voor Mendel een soort naast andere soorten met eigen vaste erfeigenschappen. Voor de moderne bioloog mutanten ontstaan bij de chromosoomoverdracht en goed aangeslagen in de natuurlijke omgeving. Zo komen Mendel en Darwin bij elkaar.

Onderzoekingen in de bibliotheek van Brünn door Mendel´s biograaf Vitéezslav Orel eind vorige eeuw, brachten belangrijke extra fragmenten aan het licht, die recht doen aan Mendel als een van de grootste biologen.


Pas als in 1900, onafhankelijk van elkaar, de Nederlander Hugo de Vries, de Duitser Karl Correns, de Oostenrijker Erich von Tschermark Mendel "herontdekken" wordt de onschatbare betekenis van zijn werk duidelijk.

Op 1 mei 1918 hield Ludwig Armbruster, bijenprofessor aan de Universiteit in Berlijn, een voordracht op de grote conferentie voor Bijenteeltleraren (lees koninginnentelers) over rassenteelt en alles wat daarmee samenhing. Hij was gepromoveerd op een proefschrift over Chromosoomverhoudingen bij solitaire Apiden; kende als geen ander de erfelijkheidswetten van Mendel, ("de enige echte wetenschapper!") en diens toepassing ervan op de bijenteelt. De aanwezigheid van de Duitse herontdekker van Mendel´s genetica, Karl Correns, was erbij en maakte de conferentie tot een zeer bijzondere gebeurtenis. Armbruster zelf gaf een verslag uit van het theoretische deel van zijn voordracht[1].


Gedurende zijn leven, maar zelfs tot op heden, moet Mendel echter vaak de erkenning missen die hem toekomt. Hier zijn de volgende oorzaken voor te noemen:

  1. Mendel was een bescheiden en terughoudend mens. In een openbaar optreden kwam hij niet tot zijn recht. Hij heeft derhalve nooit "aan de weg getimmerd", zoals bijvoorbeeld Dzierzon deed. Toen hij abt was, werd hij overspoeld door administratieve rompslomp en politieke beslommeringen, die hem verhinderden zijn werk af te maken. Zijn vroegtijdige dood en de vernietiging van zijn nog niet gepubliceerde geschriften droegen er ook niet toe bij om het geniale van zijn werk naar buiten te brengen.
  2. De tijdsgeest had hij tegen. Mendel kende het werk van Darwin. Hij had er enerzijds grote bewondering voor, anderzijds ergerde hem het weinig exacte en het te speculatieve erin. Zijn tijdgenoten echter dweepten met de evolutietheorieën van Darwin en zagen niets in het "monnikenwerk" van Mendel met diens statistische rekenkunst.
  3. Ideologische weerstanden: Van Kerkelijke zijde was de weerstand tegen alle biologische nieuwlichterij groot. Van die zijde had Mendel slechts antipropaganda te verwachten. Veel erger nog was de ideologische uitsluiting die hem in het hele Oostblok te beurt viel. De infame leider van het Moskou instituut voor genetica, Trofin Lysenco, had zijn biologie aangepast aan het Stalinistisch/ Marxistische wereldbeeld : "De mens wordt niet gemaakt door erfelijke eigenschappen maar door de gemeenschap. Aanpassingen in het sociale bestel zou in één generatie een nieuw type mens creëren." Openlijk spreken over Mendel eindigde doorgaans in Siberië; zo ging het ook in het communistische Tsjecho-Slowakije, waar de abdij stond. Pas rond 1960 komt hier kentering in.
  4. De propagandamachine van Nazi-Duitsland besmeurde op indringende wijze Mendel´s reputatie. De erfelijkheidswetten werden weerzinwekkend misbruikt om het "Duitse Ras" door kruisingen te verbeteren en te zuiveren van "vreemd materiaal"; fokprogramma´s en vernietigingskampen, ja zelfs de naam Mengele brachten Mendel in diskrediet.


Bronnen


Voetnoten

  1. J.van Dyck verzorgde voor internet de volledige (duitse) tekst van het Armbruster verslag uit 1919 met vele verhelderende afbeeldingen: http://perso.fundp.ac.be/~jvandyck/homage/books/armbr/LA1919/part1819de.html#19