Narcis

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Wilde narcis (Narcissus pseudonarcissus subsp. pseudonarcissus).

(Latijnse naam: Narcissus)

Omschrijving en kenmerken

De narcis is een geslacht van bolgewassen met zo'n 35 soorten in vele verschillende kleuren (zoals gele, roze, oranje, rode, witte, gevlekte) en bloeiwijzen (enkelbloeming, dubbelbloemige, grote gele trompetten of met trosjes van gele of witte bloemetjes).

Al deze soorten betreffen voorjaarsbloeiers die een voorafgaande koude rustperiode nodig hebben. Deze soorten kunnen wel aanzienlijk verschillen in bloeiperiode zodat je met de aanplant van meerdere soorten van januari tot juni plezier kunt hebben van de narcis.


De voortplanting van de narcis geschiedt op twee manieren:

  • Door het delen van de bol, waarbij nevenbollen gevormd worden. De bollen blijven zo natuurlijk wel in de buurt van de moederbol.
  • Door zaadvorming. De doosvrucht bestaat uit drie kamers en bevat zwarte zaden. De zaden komen na het omknikken van de stengel op de grond terecht. De zaden zijn uitgerust met een mierenbroodje, dat graag door mieren wordt gegeten. Om deze reden verplaatsen de mieren de narcissenzaden.


Onderstaand enkele in de Lage landen voorkomende soorten narcis:

  • De witte narcis (Narcissus poeticus). Deze komt soms ook verwilderd voor.
  • De wilde narcis (Narcissus pseudonarcissus):
    • Bloeiperiode: maart - mei
    • Grootte: van 15 tot 40 centimeter hoog
    • Bevlieging door honingbijen: (np)1
    • De wilde narcis heeft meerdere ondersoorten:
      • subsp. pseudonarcissus. Deze komt als enige ook al van oorsprong in de Lage landen voor. Deze ondersoort heeft lichtgele bloemdekslippen en een diepgele trompetvormige bijkroon. Die bijkroon is ongeveer even lang (of slechts iets korter) als de bloemdekslippen. De schede is bruinig papierachtig. De bloemen staan alleenstaand knikkend op een iets afgeplatte bloemsteel. Deze narcis is in het wild sterk afgenomen, maar wordt veelvuldig gekweekt (met ten opzichte van de echte wilde plant afwijkende bloemkleuren van wit tot diepgeel).
      • subsp. major (de trompetnarcis). Deze is veel in tuinen te vinden. De trompetnarcis komt oorspronkelijk uit Zuidwest-Europa en bloeit enkele weken later dan de subsp. pseudonarcissus. Bij de trompetnarcis zijn zowel de bloemdekslippen als de bijkroon heldergeel. De bijkroon wordt op het eind wijder. De bloemstelen steken duidelijker boven de bladeren uit.


In onderstaand filmpje (van 11 maart 2012 rond 13:00 uur te Apeldoorn) kun je zien dat de bevlieging van de wilde narcis grotendeels buiten het zicht plaats vind. Immers, zodra de bij in de bijkroon zit kun je de bij niet meer zien. Zou dit wellicht ten dele de (te?) lage bevliegingswaarde van (np)1 verklaren?

Verwijzingen en bronnen