Nestselectie

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Als een zwerm niet door een imker wordt geschept, zal de zwerm zelf een nieuw onderkomen moeten zien te vinden. Nestselectie betreft enerzijds de manier waarop een zwerm een nieuwe nestplaats kiest, en anderzijds de criteria die de bijen hierbij hanteren.


De manier waarop een zwerm een nieuwe nestplaats kiest

Al voordat de zwerm vertrekt zijn speurbijen bezig met het zoeken naar een nieuwe bijenwoning en "vertellen" ze (zoals Martin Lindauer[1] voor het eerst op de buitenkant van een zwermtros ontdekte) hun bevindingen met behulp van de bijendans[2]. Betreffende speurbijen waren voorheen haalbijen die de omgeving dus reeds goed kennen.

Na het vertrek uit de oude bijenwoning zal een zwerm echter meestal toch niet direct een nieuwe bijenwoning binnentrekken. Nagenoeg altijd plaatst de zwerm zich eerst als zwermtros, ergens in de nabijheid van de oude bijenwoning, om aldaar tot overeenstemming over de nieuwe bijenwoning te komen.

Zonodig gaan de speurbijen vanaf de zwermtros door met het zoeken naar potentiële nieuwe onderkomens. Mochten er geen goede onderkomens in de omgeving zijn / worden gevonden, dan vertrekt de zwerm en vormt ze elders wederom een zwermtros van waaruit opnieuw wordt gezocht.

Zodra een speurbij vanaf de zwermtros een geschikte bijenwoning heeft gevonden zal zij de locatie en de kwaliteit daarvan op de buitenkant van de zwermtros dansen. Hoe langer de speurbij danst hoe groter de kwaliteit van de gevonden locatie. Hierna zullen ook andere speurbijen deze locatie bezoeken en beoordelen, en al dan niet eveneens de betreffende locatie via de bijendans aanprijzen.

Als er door meerdere speurbijen geschikte locaties zijn gevonden dan zullen er dus verschillende bijendansen worden gedanst. Normaal gesproken zal er op termijn (op dezelfde dag, of pas na een paar dagen) één dans "winnen". De speurbijen die eerst voor een locatie van lagere kwaliteit dansten zijn dus genegen om op een andere locatie over te stappen. Hierbij speelt ook het zogeheten stopsignaal een rol. Speurbijen die de ene nestlocate promoten richten hun stopsignalen voornamelijk op speurbijen die een andere nestlocatie promoten en andersom; dit veroorzaakt dus een wederzijdse belemmering[3].

Het meten van de temperatuur in een zwermtros.

Zodra de keuze is gemaakt richtten de speurbijen hun stopsignalen naar alle kwispeldansen zodat deze algeheel worden onderdrukt. Hierdoor wordt bewerkstelligd dat alle speurbijen present zullen zijn als de zwerm naar de gekozen plek vliegt. Er ontstaat vervolgens steeds meer onrust in de zwerm, net zoals het geval was voorafgaand aan het vertrek uit de oude bijenwoning. De speurbijen gaan zigzaggend over de tros heen en weer, en geven daarbij regelmatig met trillende vleugels[4] aan dat de zwerm moet gaan vertrekken. De tros warmt zichzelf aldus op tot 36° Celsius om vervolgens naar de nieuwe bijenwoning te vliegen. Deze opwarming duurt zo'n 30-60 minuten.

Een zwermtros die geen geschikte locaties kan vinden, of die geen beslissing tussen verschillende locaties kan nemen, zal uiteindelijk ter plekke bijenraat gaan bouwen in de open lucht. Zo'n volk is in het klimaat van de Lage landen gedoemd om ten gronde te gaan.


De door de bijen gehanteerde selectiecriteria voor een nieuwe bijenwoning

De keuze van de bijenzwerm voor een bepaalde nestplaats is uiteraard zeer belangrijk. De nieuwe nestplaats moet onder andere voldoende groot zijn en beschutting geven tegen kou, wind en regen. Zwermen blijken de volgende voorkeuren voor bijenwoningen te hebben[1][5][6]:

  • liever op 5 meter hoogte dan op 1 meter hoogte,
  • liever een vliegopening van 12,5 centimeter dan van 75 centimeter,
  • liever de vliegopening aan de onderkant dan aan de bovenkant,
  • liever een vliegopening naar het zuiden dan naar het noorden,
  • liever een volume van 40, dan van 10 of 100 liter,
  • liever een reeds eerder door honingbijen bewoond nest (met bijenraat),
  • liever een bijenwoning die meer dan 300 meter van de oude bijenwoning ligt, en
  • liever een goed zichtbaar nest (maar deze uit onderzoek gevonden "voorkeur" kan wellicht ook worden veroorzaakt doordat dergelijke bijenwoningen gemakkelijker door de speurbijen worden gevonden).


Geen voorkeuren zijn gevonden aangaande de volgende kenmerken van bijenwoningen:

  • verschillende vormen van de vliegopening (spleet versus rond),
  • de vorm van de inhoud van de bijenwoning (kubus versus verticaal langwerpig),
  • tocht in de bijenwoning,
  • vochtigheid van de bijenwoning.

Wellicht dat de bijen de laatste twee kenmerken bij de selectie minder belangrijk vinden omdat ze hier (met behulp van propolis) zelf wat aan kunnen doen.


Relativering: Het bovenstaande geeft de voorkeuren weer als de honingbijen zelf kunnen kiezen uit meerdere mogelijkheden. Het minimale - waaronder de huisvesting van bijen ook nog lukt - ligt daar echter ver vanaf. Zo lukt het bijvoorbeeld prima om bijen (tijdelijk) in de veel kleinere bevruchtingskastjes te houden. Ook met de opening op het Noorden, terwijl ze nagenoeg op de grond staan. Onze westerse honingbijen houden het al honderduizenden jaren vol. In allerlei verschillende omstandigheden. Zonder een behoorlijk groot aanpassingsvermogen was dat niet gelukt.


Voetnoten

  1. 1,0 1,1 M.Lindauer. Schwarmbienen auf Wohnungssuche. Zeitschrift für vergleichende Physiologie (37, 1955), blz. 263 - 324.
  2. Martin Lindauer heeft eveneens vastgesteld dat speurbijen die reeds in de oude bijwoning de locatie van gevonden bijenwoningen dansen, deze dansen uren kunnen volhouden en daarbij met het verstrijken van de tijd - en dus de richting van de zon - hun bijendans zodanig kunnen aanpassen dat de aangegeven richting blijft kloppen. Dit zonder dat ze tussentijds weer buiten de oude bijenwoning zijn geweest.
  3. T.D.Seeley1, P.K.Visscher, T.Schlegel, P.M.Hogan, N.R.Franks, J.A.R.Marshall. Stop Signals Provide Cross Inhibition in Collective Decision-Making by Honeybee Swarms. Science, Volume 335 nummer 6064, 6 January 2012, blz. 108-111.
  4. leidende tot geluidspulsen met een frequentie van 400-450 hertz
  5. T.D.Seeley. Measurement of nest cavity volume by the honey bee (Apis mellifera). Behavioral Ecological Sociobiology (2, 1977), blz 201-227.
  6. T.D.Seeley, R.A.Morse. Nest site selection by the honey bee, Apis mellifera. Insectes Sociaux, 1978, Volume 25, nr. 4, blz. 323-337.