Schotman

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Johan W. Schotman was de auteur van verschillende boeken over de teelt van onze honingbij:

  • 'Handboek der moderne bijenteelt',
  • "Het stapelkast-systeem als grondslag voor productieve bijenteelt".

Ook was hij actief in het maandblad van de toenmalige VBBN.

Geboren in Hoogeveen, daarna gestudeerd en gewerkt in China, was Schotman ook schaker en schrijver van enkele misdaadboeken. In zijn boek Het mysterie der zwarte pionnen wordt een van de hoofdrolspelers vermoord door een zwerm bijen op hem los te laten, vanwege diens allergie voor bijensteken.

Of de geschiedenis en de verwevenheid van zijn geboorteplaats Hoogeveen en de geschiedenis en betekenis van de bijenteelt in deze plaats de basis geweest is van de kennis en kunde van de heer Schotman is niet bekend.

Een samenvatting van zijn boek over het stapelkastsysteem

Omslag van betreffend boek

In "Het stapelkast-systeem als grondslag voor productieve bijenteelt" (uit waarschijnlijk 1953) beschreef Schotman een specifieke toepassing met de stapelkast: meerdere volken in 1 kast.

Onderstaande samenvatting is opgesteld door Gerard B.W. Vos, en komt van zijn webstek www.bitsandbees.nl:


Twee tot vier koninginnen in één kast


Voordelen en nieuwe ervaringen

Men heeft sedert een aantal jaren geëxperimenteerd met samengevoegde en slechts door een moerrooster gescheiden volken; hierbij zijn verschillende nieuwe ervaringen opgedaan, en wel:

  1. De broedaanzet bleek aanzienlijk sterker, de honingopbrengst sterk toegenomen.
  2. De samengebrachte volken gaan tegen elkaar wedijveren, zowel in het broeden als in het honingverzamelen.
  3. De honingopbrengst wordt met het tweevoud van het aantal koninginnen verhoogd; bij 2 koninginnen vier maal, bij 3 zesmaal en bij vier 8 maal zoveel honing.
  4. Tussen de volken treedt geen vijandschap op, maar een hoge mate van samenwerking.

Men heeft drie wegen bewandeld. De eenvoudigste manier vloeit voort uit de reeds door het demareren en verdubbelen ontstane methoden; de tweede manier tracht volken, die naast elkaar zijn geplaatst, een gemeenschappelijke honingruimte te laten voldragen; de derde methode is de meest intensieve en in Frankrijk door pater M. Dugat tot een geheel nieuw systeem ontwikkeld.


Eenvoudige methode met twee koninginnen in één stapelkast

Men kiest een sterk volk, dat op twee broedbakken staat en rijp is voor het opplaatsen van honingruimte.

Op de bovenste bak A wordt een separator gelegd en daarop komt reservebak C, waarin men uit 3 ramen honing, twee ramen uitlopend broed en een jonge koningin, aangevuld met kunstraat of uitgebouwde raat, een kernvolk vormt.

Dit kernvolk ontwikkelt zich op de voorjaarsdracht; zowel het onderste volk met de twee broedbakken als het bovenste kunnen een honingkamer krijgen.

Bij het begin van de hoofddracht wordt bak C met de jonge koningin beneden gezet; men verwijdert uit deze bak alle open of half open broed, op één raam na, en hangt er ramen uitlopend broed uit de andere bakken voor in de plaats; A en B krijgen alle open broed. De oude koningin wordt weggehaald. C krijgt een honingkamer bij, eventueel nodige verdere honingkamers komen bovenop.

Alle haalbijen worden hier dus door twee koninginnen geleverd; tijdens de dracht is er maar één koningin, die dan een nieuw broednest begint. De methode voorziet in vernieuwing van de koningin, maar buit de mogelijkheden niet geheel uit: men bereikt meer met methoden, die tijdens de dracht ook het broeden stopzetten.


Volken naast elkaar met gemeenschappelijke honingruimte

Men heeft hiervoor verschillende oplossingen gezocht.

Op een bodemstuk van dubbele breedte, in het midden voorzien van een reep moerrooster, worden twee broedbakken stijf naast elkaar gezet, in elke bak komt een volk op tien ramen.

Midden op beide bakken wordt een moerrooster gelegd, de onbedekte vijf zijramen worden afgesloten met een halve dekplank en een half dak.

Men kan nu op het moerrooster een broedbak plaatsen, die aan de voorzijde een vliegopening heeft en hierin wordt alle gesloten broed gehangen, terwijl men de zijvolken aanvult met kunstraat, waardoor het zwermen wordt tegengaan. Bij het begin van de dracht worden de beide koninginnen weggehaald en laat men beide volken een jonge moer kwe­ken, daarbij op de gebruikelijke wijze eerst alle cellen en na acht dagen alle cellen op één na wegsnijdend. Op de zich met honing vullende boven­bak worden nu verdere honingkamers gestapeld.


De laatste tijd zijn met succes proeven genomen met een zeer merkwaardige stapelmethode: de pyramide-methode met drie koninginnen. Op een speciaal geconstrueerde bodemplank komen een aantal broedkamers naast elkaar; de honingkamers worden er pyramidevormig opgeplaatst. Door latten op de bodemplank te spijkeren, zorgt men er voor, dat er drie afzonderlijke ingangen zijn: links, middenvoor en rechts.

Op de drie broedbakken legt men twee moerroosters; de zijramen worden door halve daken afgesloten, die men desgewenst ten behoeve van de ventilatie iets kan terugtrekken. Op de twee roosters komen twee honingkamers, waarop de bovenste honingkamer. Ook deze twee honingkamers worden door halve daken (en natuurlijk halve dekplanken) afgesloten.

In het voorjaar wordt een zeer sterk volk, dat op de paardebloem en met voeren op drie broedkamers is gekomen (of anders door samenvoegen van enkele volken met één koningin), weer verdeeld. De oude koningin komt op 1; enkele ramen broed met bijen en wat extra bijgeveegde bijen komen resp. in 2 en 3. Met de Boardman-voederfles wordt nu gevoerd tot alle drie volken zeer sterk zijn. Het is wenselijk, in 2 en 3 jonge koninginnen in te voeren.

Als de bijen neiging hebben op de oude BK terug te vliegen, verruilt men af en toe de broedkamers. Deze methode heeft tot voordeel, dat men niet hoog behoeft te stapelen, gemakkelijk de broedkamers kan controleren en de onderdelen (bodemplank en doorgezaagde daken) eenvoudig zijn te vervaardigen.


De methode Dugat

Het gehele vraagstuk is het diepstgaand bestudeerd en tot het meest vruchtbare resultaat gebracht door trappistenpater M.Dugat[1].

Hij kon bovenstaande ervaringen volkomen bevestigen, maar deed bij het toepassen van zijn methode met vier koninginnen in één stapelkast nog de volgende ervaringen op:

  1. Staat een zwak volk onder een sterk, en heeft elk zijn eigen vlieg­gat, dan zal het zwakke trachten, zich bij het sterke te voegen. Dit geschiedt niet als zij beiden één vliegopening hebben;
  2. Staat een zwak volk boven op een sterk, elk met een eigen vlieggat, dan trekt het onderste weer naar boven en worden ze dus van gelijke sterkte;
  3. Staat in een stapelkast met vier koninginnen het zwakke volk óf geheel boven, óf geheel onder, dan geldt dezelfde regel. Bevindt het zich in het midden, dan worden de vier volken gelijk, onverschillig waar het vlieggat is.
  4. Wordt de stapelkast door vier zwakke volken gevormd, dan hebben de beide bovenste bakken neiging, opwaarts te trekken, de beide onderste benedenwaarts, zodat de middelste koninginnen verlaten worden en ver­dwijnen, als ze elk hun eigen vlieggat hebben. Is het enige vlieggat boven, dan is er trek naar boven, is het beneden, dan blijven de beide onderste op hun plaats, terwijl het vierde naar het derde trekt of blijft waar het is.
  5. Bevat de stapelkast vier sterke volken, dan blijven die gelijk, on­verschillig waar het vlieggat is. Teneinde de haalbijen de omweg van het tijdrovend klimmen te besparen is het beter, elk volk een eigen vlieg­gat te geven. In het voorjaar heeft het onderste volk neiging, hogerop warmte te zoeken, in de zomer is dit niet het geval.

De methode vereist: enkelwandige, sponningloze broedbakken, ingelijst moerrooster, alles volkomen gelijk en goed passend. Verder een aantal vlieggatranden: een vierkant raam, waarop aan drie kanten een lat is gespijkerd; zet men daarop een broedkamer, dan is er aan de voorzijde een vliegopening. Een aanvliegplankjes verkrijgt men door het tussenschuiven van een stukje zink.


I. Bij hoofddracht in zomer en herfst.

Stel, men heeft drie volken van gelijke sterkte; men plaatst die in Maart dicht naast elkaar.

Eind Maart worden ze verenigd, door ze, gescheiden door moerroosters na besprenkeling met dun suikerwater, op elkaar te zetten, elk met eigen vlieggat. Bij deze vereniging laat men het vlieggat van het middenvolk, dat onder komt, aan de voorzijde, maar geeft de andere volken het vlieggat aan de zijde, waar ze vandaan zijn gekomen. Na enkele dagen keert men alle vlieggaten naar voren. Desgewenst kan men de volken, als er voorjaarsdracht is, een paar extra bakken geven (honing­kamers van broedformaat) namelijk een onder het bovenste en een onder het onderste volk, waardoor koningin 1 en koningin 3 ze kunnen beleggen.

Een maand na de vereniging heeft elke broedbak nu 9 of 10 broed-ramen. Men gaat nu de kast opnieuw samenstellen, aldus: men neemt uit elk van de oorspronkelijke broedbakken de koningin en 5 ramen broed en hangt die in 3 nieuwe bakken, die men met lege ramen aanvult. Al het overige aanwezige broed wordt in de drie oor­spronkelijke bakken bijeengebracht en voor de koningin ontoegankelijk gemaakt. De kast is dan aldus opgebouwd, van beneden naar boven:

  • Koningin 1 op 5 ramen en kunstraat; moerrooster; bak met broed zonder moer; rooster en vlieggat.
  • Koningin 2 op 5 ramen en kunstraat; weer moerrooster en bak met broed; moerrooster en vlieggat.
  • Koningin 3 met 5 ramen en kunstraat; daarop moerrooster, bak met broed; dekplank, dak.

Het geheel is nu zes hoog, heeft 3 vlieggaten, elk paar bakken bestaat uit twee: één met moer, 5 ramen broed en kunstraat en één afgesloten bak met broed. Dugat noemt dit: de broedblokkering.

Ongeveer 15 Mei maakt men drie moerloze afleggers: B, B', B", en wel evenveel als men volken wil behouden. Deze drie afleggers worden, zodra de koninginnen bevrucht zijn, op dezelfde wijze tot één stapel verenigd als men vroeger met het oorspronkelijke volk had gedaan en krijgen bij het begin van de dracht elk een honingkamer.

Tien dagen voor de dracht hebben we dus naast elkaar: Een volk met drie koninginnen op 6 bakken (A, A', A") en een jong volk met drie jonge koninginnen, ook op 6 bakken (B, B', B").

Bij het begin van de dracht haalt men de drie koninginnen A, A', A" weg. Tevens gaat men over tot volledige broedblokkering: in de bovenste bakken komt al het open broed, in de onderste al het gesloten broed.

Alle moercellen worden weggesneden; bovenop de bovenste bak legt men een raam met eitjes geheel plat, steunend op blokjes; warm toe­ gedekt. Na 8 dagen worden opnieuw alle moercellen weggesneden, eveneens wordt het raam, dat nu vol moercellen zit, weggehaald en weer door een raam met eitjes vervangen. Men blijft dit tijdens de dracht herhalen.

Met andere woorden: tijdens de dracht geen broedaanzet; er wordt alleen honing gehaald. De kast heeft geen koningin, maar steeds moerdoppen bovenin. De onderste helft bestaat uit uitlopend broed en levert haalbijen. Tegen het einde van de dracht kan het volk een bevruchte koningin krijgen, en worden de bakken met honing afgenomen; volk A blijft over.

Daarnaast heeft men het weer in drie volken te splitsen volk B met 3 koninginnen; bovendien verkreeg men 3 afleggers van de weggenomen koninginnen en een zeer groot aantallen moercellen, waarmee men ook afleggers maken kon.


II. Bij hoofddracht in het voorjaar en tweede dracht in zomer-herfst.

Men benut beide drachtperioden. De gang van zaken is hetzelfde, alleen worden de volken B tegen het begin van de tweede dracht op de plaats van A gezet en neemt men tien dagen voor het begin de koninginnen weg. Men moet met het oog op het gevorderde jaargetijde de koninginnen echter tijdig weer teruggeven. De eerste dracht wordt voor broedaanzet gebruikt en men stelt zich in op de zomerdracht.

In Maart beginnen met 3 stapelvolken, als beschreven.

In April, begin Mei (ten onzent iets later) extra broedbakken en versperren van broed als te voren.

Tegen 15 mei (eerste dracht) krijgen drie moerloze bakken een nieuwe plaats. Ze moeten broed, moerdoppen en jonge bijen bevatten en kunnen of naast, óf op elkaar worden geplaatst. In het laatste geval separator gebruiken, na bevruchting moerroosters daarvoor in de plaats.

De overgebleven drie broedbakken van A worden elk voorzien van een bovenbak met lege ramen, waarin de koninginnen hun broednest kunnen uitbreiden. De blokkeermethode wordt dan weer toegepast.

Daarna als in het eerste geval: moerloos maken, cellen laten aanzetten en wegsnijden, de haalbijen laten zwoegen. De volken B krijgen eveneens weer honingkamers tussengezet.


De methode leent zich tot vele andere mogelijkheden, o.a. ook tot koninginneteelt met behulp van het Snelgrovebord, dat door Dugat in omgekeerde zin wordt gebruikt: de bovenbakken worden vervangen door honingkamers boven één broedbak, die op het snelgrovebord komt. De haalbijen worden nu niet van boven naar beneden, doch van beneden naar boven toegevoerd.

Voetnoten

  1. la ruche gratte-ciel à plusieurs reines, M.Dugat