Snelgrovemethode

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
L.E. Snelgrove met bijenbaard. Deze foto sierde ook de voorkaft van zijn boek 'Swarming, its control and prevention'

Introductie

In 1933 verscheen de eerste editie van L.E.Snelgrove's boek over beperking en verhindering van het zwermen [1], en ook in Nederland was zijn methode van zwermverhindering al snel bekend [2].

De kern van Snelgrove's methode betreft het scheiden van de jonge voedsterbijen enerzijds en de haalbijen anderzijds. Bij voorkeur gebeurt dit met een zogeheten snelgrovebord, maar Snelgrove heeft de methode ook zonder snelgrovebord beschreven.


Planning

Deze methode moet worden toegepast voordat er sprake is van zwermdrift [3]en kan worden toegepast zodra een volk in het voorjaar zo'n 7 of 8 ramen broed heeft. Zodra dat broed uitkomt zal het volk verdubbelen en bij ruimtegebrek gaan zwermen. Dat moet je dus voor zijn. Een andere planningsoverweging is dat deze methode één volk met een overmaat aan haalbijen oplevert zodat het eveneens handig is om deze methode toe te passen gedurende (of eigenlijk vlak voor) een goede dracht.


Werkwijze met snelgrovebord

Op dag 1 worden de twee broedkamers uit elkaar gehaald. De ene komt onder de honingkamer, en de andere komt er boven. In de onderste broedkamer[4] komen alle raten zonder broed, met uitzondering van één raat met een klein stukje open broed [5]en de koningin. Hierop het moerrooster, waarboven de honingkamer en daarop de bovenste broedkamer met nagenoeg alle broed. Als het moeilijk blijkt om de koningin te vinden dan kun je natuurlijk ook simpelweg alle bijen afslaan in de onderste broedkamer zodat de koningin daar automatisch bij zit.

Schematische voorstelling van een snelgrovebord van boven- of onderaf gezien

Op dag 2 zullen inmiddels alle voedsterbijen naar het broed in de bovenste broedkamer zijn verhuisd (op een klein gedeelte na, dat beneden blijft om de koningin te verzorgen). Nu wordt het snelgrovebord tussen de bovenste broedkamer en de honingkamer geplaatst. Hierdoor zijn de bijen in de bovenste broedkamer afgesloten van die in de onderste, maar door het gaas van het snelgrovebord is er nog wel onderling contact en uitwisseling van geuren zodat de bijen geen vreemden voor elkaar worden.

Schematische voorstelling van snelgrovebord dwarsdoorsnede A-zijde

De nog in de bovenste broedkamer voorkomende haalbijen zullen op een zeker moment door een bovenste vliegopening (A-boven) van het snelgrovebord vertrekken en zich bij thuiskomst via de reguliere vliegopening bij het onderste volk voegen.

De koningin in de onderste broedkamer gaat door met leggen, maar bij gebrek aan voldoende voedsterbijen gaat dit langzamer dan voorheen. Doordat de onderbak een overdaad aan haalbijen heeft en er tevens minder honing nodig is voor het weinige broed, wordt er veel honing opgeslagen.

Het volk in de bovenste broedkamer zal zich moerloos gaan voelen en redcellen gaan optrekken. Deze worden door de imker met een gerust hart ongemoeid gelaten. Door het vele broed worden er in de bovenste broedkamer grote aantallen jonge bijen geboren waarvan vele zich binnen een week versneld tot haalbijen ontwikkelen. Om het zwermen van de bovenste broedkamer te verhinderen, en om deze haalbijen deel te laten nemen aan de vulling van de honingkamer, is het gewenst dat deze haalbijen bij het onderste volk worden gevoegd.

Op dag 7 of 8 wordt daarom vliegopening 'A-boven' gesloten en een vliegopening er enkele millimeters onder geopend (te weten A-onder, die naar het onderste volk leidt). Aan de andere kant van het snelgrovebord wordt voor het bovenste volk een nieuwe bovenste vliegopening geopend (B-boven). De haalbijen zullen nu via B-boven vertrekken, maar zullen bij terugkomst op de voormalige vliegopening (A-boven) aanvliegen. Deze is echter gesloten zodat ze de vliegopening er vlak onder zullen nemen en zo bij het onderste volk terecht komen. Dit onderste volk wordt dus opnieuw versterkt, en weer is het bovenste volk zonder haalbijen.

Op dag 14 is het 13 dagen geleden dat het snelgrovebord werd geplaatst en de bijen redcellen gingen optrekken. Op dag 14 zal er dus een jonge koningin in het volk rond lopen. Omdat deze pas 3 dagen na haar geboorte voor het eerst op oriëntatievluchten zal gaan, is het mogelijk om ook op dag 15 nog haalbijen naar beneden te leiden.

Op dag 15 zullen er weer nieuwe haalbijen van het bovenste volk op opening B-boven zijn georiënteerd. Om ook deze weer bij het onderste volk te voegen wordt B-boven gesloten, B-onder geopend, en C-boven geopend. Hierdoor herhaalt zich hetzelfde als bij de vorige keer (alleen betreffende andere vliegopeningen). Door het afvliegen van alle haalbijen wil het bovenvolk niet meer zwermen en zal het slechts 1 koningin handhaven (de andere worden verwijderd). Deze jonge moer zal via vliegopening C-boven op oriëntatie- en bruidsvluchten gaan en daarna een nieuw broednest vormen. Het spreekt vanzelf, dat het bovenste volk gevoerd moet worden.

Openingen A-onder en B-onder kunnen na verloop van tijd gesloten worden maar mogen (als extra ventilatie handig is) ook een tijd open blijven. Vliegopening C-onder is dicht gebleven, maar kan (zo nodig) gebruikt worden om na afloop van de bruidsvluchten van de koningin het onderste volk nogmaals te versterken op de inmiddels bekende manier (met hergebruik van A-boven of B-boven, waarbij A-onder en B-onder dan inmiddels al wel een tijdje gesloten moeten zijn geweest).


Werkwijze zonder snelgrovebord

Op dag 1 worden dezelfde acties uitgevoerd als bij de werkwijze mèt snelgrovebord.

Op dag 2 wordt de bovenste broedkamer op een eigen bodemplank gezet, vlak naast de onderste. De haalbijen keren dan terug bij het onderste volk en de voedsterbijen in de verplaatste bak zullen redcellen aanzetten.

Op dag 14 wordt de voormalig bovenste broedkamer op enige afstand gezet. De haalbijen bedelen zich (bij gebrek aan de eigen verplaatste kast) in bij het niet verplaatste volk in de onderste bak, die men een stukje in de richting van de lege plaats kan verschuiven. Noch het verplaatste, noch het niet verplaatste volk zullen nog zwermen, terwijl de laatste wel zeer sterk wordt en veel nectar kan halen.


Indien er wel sprake is van zwermdrift

In geval van zwermdrift is de 'methode Snelgrove' gedoemd te mislukken. De kans is groot dat het volk in de onderste broedkamer (met koningin, maar nog slechts weinig broed) zal gaan zwermen.

Het is echter lang niet altijd duidelijk te onderkennen dat een volk reeds zwermdrift heeft. De kenmerken treden soms ineens op zodat je het niet (tijdig) onderkend. Het dagelijks controleren op zwermdrift is echter bezwaarlijk omdat:

  • dit nogal wat tijd van de imker vergt (helemaal als deze veel volken heeft), en omdat
  • het zeer storend voor de bijen is.

Snelgrove heeft deze bezwaren waarschijnlijk ook ondervonden aangezien hij ook een "Methode Snelgrove indien zwermneiging" heeft uitgedacht.


Twee leggende koninginnen boven elkaar. Wat nu?

Als alles goed gaat dan zal de moer in het bovenste volk ergens na dag 21 aan de leg gaan (ook buiten de kast is dat herkenbaar doordat er ineens veel meer stuifmeel wordt gehaald). Hierna zijn er meerdere opties:

  • Je kunt de oude moer door de nieuwe moer vervangen:
    • Vervang eerst het snelgrovebord door een moerrooster zodat de bijen door elkaar kunnen lopen maar de koninginnen elkaar niet kunnen bereiken. Verwijder vervolgens na een paar dagen de moer uit het onderste volk en voeg de broednesten weer bij elkaar. Als je de oude moer niet vindt: na het samenvoegen van de broednesten zal meestal de jonge moer overwinnen.
  • Je kunt het bovenste volk afnemen en in een bijenstal die op een afstand staat van 2 maal de Actieradius van de haalbij:
    • zelfstandig op een eigen bodem plaatsen, of
    • verenigen met een ander volk.


Voetnoten

  1. L.E. Snelgrove. Swarming, its control and prevention. M. A., M. Sc. Bleadon, Westonsuper-Mare, England
  2. F.Sparenberg. De zwermverhindering (methode Snelgrove). Maandschrift bijenteelt, januari 1936.
  3. Snelgrove heeft ook een methode ontwikkeld voor volken die al wel zwermneiging hebben: Methode Snelgrove indien zwermneiging
  4. Indien er is ingewinterd op 1 broedkamer dan kan in plaats van een 'onderste broedkamer' ook gebruik worden gemaakt van een 'onderste nieuwe broedkamer met kunstraat'.
  5. Zonder dat stukje open broed komt het voor dat het onderste volk zwermt. Dat stukje open broed houdt het volk in de kast. Bij een onderste kast met vooral kunstraat is dat nog eens extra belangrijk.