Soorten, ondersoorten (rassen), stammen en lijnen

Uit Imkerpedia
Versie door Albert Stoter (Overleg | bijdragen) op 10 nov 2011 om 09:40

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

Binnen het geslacht honingbijen (Apis) worden verschillende soorten honingbij onderscheiden. Daarvan is onze Apis mellifera, de soort honingbij die bij ons in Europa en in Afrika voorkomt, er maar één.

Binnen die soorten, met name binnen de soorten met een groot verspreidingsgebied, zijn soms verschillende ondersoorten te onderscheiden. Zo zijn er binnen onze Apis mellifera zelfs een dertigtal verschillende ondersoorten te onderkennen. Voorbeelden daarvan zijn de welbekende carnica en de ligustica. Ook binnen de in Azië (vanaf Indonesië tot aan Siberië) voorkomende soort Apis cerana zijn meerdere ondersoorten te ondescheiden.


Sinds het classificerende werk Linnaeus wordt een soort, zowel in het planten- als in het dierenrijk, met twee Latijnse namen aangeduid: de geslachtsnaam en de soortnaam. In geval van ondersoorten komt er een derde naam bij. Als er binnen een ondersoort dan ook nog stammen, ecotypen of lijnen worden onderscheiden dan kan er zelfs nog een naam bij komen.


De literatuur is helaas allesbehalve eenduidig in de definiëring van begrippen als soort, ondersoort, ras, stam, ecotype en lijn. Daarom onderstaand een beschrijving hoe deze termen binnen Imkerpedia worden onderscheiden.



Soort

Er is sprake van verschillende soorten zodra het krijgen van gezamenlijke, levensvatbare en vruchtbare nakomelingen onmogelijk is geworden. Aldus is de in Azië voorkomende honingbij Apis cerana een ander soort dan onze Apis mellifera. Het ontstaan van verschillende soorten is vaak het gevolg van het ontstaan van een natuurlijke barriëre of van andere oorzaken waardoor een gedeelte van een eerst gemeenschappelijk populatie een eigen ontwikkeling is gaan volgen. Zo hebben ook de Apis mellifera en de Apis cerana dezelfde voorouders maar zijn ze op een bepaald moment van elkaar gescheiden.

Ondersoort, ras en buckfast

Vaak komt een soort in een dermate groot verspreidingsgebied voor dat soortgenoten is geheel verschillende omstandigheden voorkomen. Zo komt onze Apis mellifera van nature voor in een gebied vanaf Scandinavië tot aan Kaap Hoorn, en vanaf Portugal tot aan de Oeral. Het is zonneklaar dat soortgenoten die bijvoorbeeld een winter moeten doorstaan andere eigenschappen nodig hebben dan soortgenoten uit de tropen[1].

Die verschillende omstandigheden leiden daarom tot een verschillende natuurlijke selectie, en aldus tot genetisch, morfologisch en/of gedragsmatig goed van elkaar te onderscheiden ondersoorten.

Die ondersoorten blijven echter soortgenoten zolang ze met de directe buren blijven kruisen en aldus met elkaar in verbinding blijven staan. Aldus blijven ze ook voldoende overeenkomstig.

Een ras is een ondersoort die is ontstaan als gevolg van selectie door de mens.

De buckfastbij is een geselecteerde combinatie van verschillende ondersoorten, maar kan toch geen ras worden genoemd. Dat kan pas zodra er (o.a. tegen inteelt) geen genetisch materiaal van andere ondersoorten meer wordt ingeteelt, en de Buckfast zich bovendien stabiel vererft (dezelfde kenmerken over meerdere generaties in stand houdt).

Stam en ecotype

Een stam is een binnen een ondersoort te onderscheiden populatie die (net zoals bij het onderscheiden van verschillende ondersoorten) kan ontstaan door de inwerking van een plaatselijk ecosysteem[2] (en dan spreken we ook wel van een ecotype) en/of (net als bij een ras) door selectieteelt.

  • Voorbeelden van een stam door een plaatselijk ecosysteem (oftewel voorbeelden van ecotypen) zijn:
    • de Apis mellifera carnica carpatica[3], en
    • de Apis mellifera mellifera nigra[4].
  • Voorbeelden van een stam door selectieteelt zijn de Sklenar-stam en de Troiseck-stam binnen de Apis mellifera ondersoort Apis mellifera carnica. Zo'n stam heeft dan bijvoorbeeld de naam Apis mellifera carnica sklenar.

Meestal onderscheidt een stam zich slechts op een of hooguit enkele kenmerken van zijn mede-ondersoort-genoten. Bij een stam op grond van selectieteelt binnen de bijenteelt gaat het dan meestal niet om uiterlijke, maar om gedragsmatige kenmerken (zoals raatvastheid, honingopbrengst, zwermdrift, etc.).

Lijn

Een lijn (of linie) betreft en populatie met overeenkomende eigenschappen, waarvan de afstamming is terug te voeren tot één gemeenschappelijke mannelijke of vrouwelijke voorouder.


Gerelateerde informatie


Voetnoten

  1. De noordelijker (grofweg de Europese) ondersoorten hebben zich steeds beter aan omstandigheden zonder voedsel (zoals in de winter) aangepast door steeds beter in staat te zijn tot de accumulatie van eiwitten (in de vorm van vitellogenine) in het bijenlichaam. De zuidelijker (grofweg de Afrikaanse) ondersoorten zijn meer geneigd om bij voedselgebrek over te gaan tot trekzwermen.
  2. Een ecosysteem wordt gevormd door de wisselwerkingen tussen alle bioorganismen en de abiotische omgeving - zoals klimaat en bodemgesteldheid - binnen een bepaalde geografische of anderszins afgebakende eenheid
  3. De Apis mellifera carnica uit de dalen van het Karpatengebergte.
  4. De Apis mellifera mellifera uit de Zwitserse en Ooostenrijks Alpen, de zogeheten 'zwarte bij'.