Stuifmeel

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
Stuifmeel in de cellen.

Voor onze honingbij is stuifmeel[1] één van de vier belangrijkste door de haalbijen uit de natuur te halen benodigde grondstoffen.

Stuifmeel is ruwweg het plantaardig equivalent van de dierlijke zaadcellen, en wordt aangemaakt in de meeldraden van bloemen. De bloemen van in meerdere opzichten vaak heel verschillende planten leveren ook in meerdere opzichten verschillend stuifmeel.

Bijen oogsten dit stuifmeel als bron van eiwitten, vetten en vitaminen. Bijenlarven hebben vanaf de derde dag nadat ze uit het ei zijn gekropen deze (plantaardige) eiwitten (en vetten en vitaminen) nodig.

Omdat het stuifmeel van verschillende planten verschilt in samenstelling is een gevarieerde consumptie van stuifmeel zeer belangrijk. Indien er slechts een eenzijdig aanbod van stuifmeel is dan kan dat in het bijenvolk leiden tot gebrekkige uitvoering van bepaalde taken. Bijen die bijvoorbeeld hoofdzakelijk zijn opgegroeid met stuifmeel van de paardenbloem zijn niet in staat was te produceren. In stuifmeel van de paardenbloem ontbreekt namelijk het essentiële eiwit Arginine.


Samengesteld door Roger De Croock: De kleur van de stuifmeelklompjes verraden op welke bloemen onze bijen het stuifmeel verzamelden
Alleen in de eerste 10 tot 11 dagen na het popstadium kan de volgroeide werkbij stuifmeel consumeren. Als voedsterbij kan ze dat voedsel (vanaf dag 4 in de binnendienst) dan ook goed gebruiken om het verlies aan eiwit vanwege het voeden weer aan te vullen.


De bijen zijn voorzien van een stuifmeelkorfje op hun achterpoten waar ze het stuifmeel verzamelen en naar de kast vervoeren. Het stuifmeel wordt eerst in cellen opgeslagen. Een bij die stuifmeel in een cel wil doen, steekt haar achterlijf inclusief de achterpoten in een cel. Vervolgens veegt ze met de ene achterpoot het stuifmeel van de andere. T.z.t. worden de klompjes met de kop aangestampt.

Meestal wordt dit stuifmeel vervolgens snel geconsumeerd door de voedsterbijen. Door het voortdurende proces van opslag en verbruik ontstaat die meestal goed te onderscheiden stuifmeelkrans om het broednest.

Stuifmeel dat niet direct wordt geconsumeerd ondergaat in de cel een fermenteringsproces (melkzuurgisting) waardoor het stuifmeel beter houdbaar en beter verteerbaar wordt. Het eindproduct wordt bijenbrood genoemd.

Dit fermenteringproces moet 14 dagen duren voordat de bijen het bijenbrood aan de larven kunnen voeren (als aanvulling op de door de voedsterbij geproduceerde voedersappen), want larven kunnen ruw stuifmeel niet verteren.

Het gefermenteerde bijenbrood, bevat naast het stuifmeel (eiwitten en aminozuren) nog andere stoffen zoals fermenten, melkzuren, maar ook vitaminen die door het fermenteren worden aangemaakt.

Vers stuifmeel is kwalitatief het beste, maar in het vroege voorjaar zullen de winterbijen het moeten doen met het in het vorige najaar geproduceerde bijenbrood. Met een immer uitbreidend larvenbestand zal dit al snel onvoldoende zijn zodat het belang van een aantal mooie dagen in het vroege voorjaar, terwijl er al een aantal natuurlijke stuifmeelleveranciers zoals het krokusje of de wilg zijn, niet onderschat kan worden.


Het stuifmeel van verschillende planten heeft voor de bijen verschillende voedingswaarde. Onderstaand worden er en paar met elkaar (en met geen stuifmeel) vergeleken:

  • geen stuifmeel: bijen leven 29 – 30 dagen (hier ontvangen de larven hun eiwit dus enkel door uitputting van het eiwitlichaam van de voedsterbijen)
  • mais stuifmeel: bijen leven 29 – 30 dagen (mais stuifmeel lijkt dus geen toegevoegde waarde te hebben!)
  • paardenbloem : bijen leven 39 dagen
  • appel stuifmeel: bijen leven 42 – 49 dagen
  • wilgen stuifmeel: bijen leven 46 dagen


Als bijen onvoldoende stuifmeel van voldoende kwaliteit voor handen hebben om het broed te voeden dan zullen ze hun eigen lichamelijke reserves aanspreken, waardoor ze zich "uitputten". Gevolg: een korter leven, een grotere vatbaarheid voor ziektes, en op termijn (bij blijvende te korten) ondervoede jonge bijen, die zelf een volgende generatie ook weer minder van dienst kunnen zijn. Dit is een neerwaartse spiraal.

Tekort aan stuifmeel kan worden voorkomen door stuifmeelramen in te hangen van een volk dat over heeft, maar als alle volken tekort hebben dan:

In agrarische gebieden kan een stuifmeel tekort ontstaan na de paardenbloem en klaver. In de stedelijke gebieden is de verscheidenheid in dracht veel groter en er kunnen enorme oogsten ontstaan als met name de juiste bomen veel zijn aangeplant (wilg, acacia, linde, wilde wingerd, en klimop).

Als je na augustus geen raten met stuifmeel meer in het volk ziet dan kan het ook slechts onzichtbaar zijn omdat ze dan netjes door het bijenvolk zijn geconserveerd. De half tot driekwart gevulde cel met stuifmeel wordt verder afgedekt met voer (bijvoorbeeld met het ingedikte van de imker gekregen suikerwater), en dan afgesloten met een wasdeksel. Cellen binnen het broednest worden dan gebruikt voor het binnenkomende verse stuifmeel.


Stuifmeel van sommige plantensoorten bevat voor bijen giftige stoffen[2]. In de Lage landen gaat het dan voornamelijk om het stuifmeel van de adderwortel, de blauwe monnikskap, de scherpe boterbloem, de honingboom, de pontische rhododendron en de witte paardenkastanje). Alleen bij het soms eenzijdig bevliegen van de scherpe boterbloem leidt dit tot opvallende bijensterfte. Meestal komt het door een bijenvolk verzamelde stuifmeel van zoveel verschillende planten, dat het effect van het stuifmeel met giftige stoffen zozeer wordt 'verdund' dat het geen nadelige effecten sorteert.


Filmpje

In het onderstaande filmpje zie je onze honingbij telkens eerst naar een celletje zoeken waar het verzamelde stuifmeel nog (bij) in kan, om het daarna van de poten af te vegen.

Literatuur

  • Peter Elshout. Voedsel voor bijen. Bijenhouden, mei 2008.
  • Wim Reybroeck. Voedingswaardebepaling van stuifmeel, vóór en na fermentatieprocessen, voor honingbijen (Apis mellifera L.) (1983):


Voetnoten

  1. Voor stuifmeel gebruiken we ook vaak het Engelse woord 'pollen'
  2. Henk van der Scheer en Mari van Iersel. Fout (stuif)meel!?. bijenhouden, december 2010