Tracheeënmijt

Uit Imkerpedia
Versie door Albert Stoter (Overleg | bijdragen) op 13 dec 2016 om 11:53

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken
Foto: Ad Staals

De tracheeënmijt (Acarapis woodi Rennie ) is bij onze honingbij de veroorzaker van de zogeheten Acarapis mijtziekte, een aantasting van het eerste paar ademhalingsbuizen (de tracheeën). Deze ziekte kan zowel de koningin, de werksters als de darren treffen.


De tracheeënmijt is 85-116 μm lang en 57-85 μm breed, is geelwit van kleur en heeft acht poten. Op het eerste pootpaar bevinden zich tastorganen. De monddelen van de mijt, met steek/zuig mechanisme, zijn krachtig ontwikkeld. Om het steken nog verder te vergemakkelijken produceert de mijt waarschijnlijk een chitine-weekmakende stof (chitine is de "huid" van de bij).


Onze honingbij heeft in het borststuk (de thorax) drie tracheeën. De opening van de eerste trachee wordt bedekt door een chitineflap met een haarkrans. Deze opening kan, in tegenstelling tot die van de andere andere tracheeën, niet afgesloten worden.


Een vanaf een andere bij overgestapt bevrucht tracheeënmijt-wijfje zoekt aan de hand van luchtverplaatsingen deze eerste thorax-trachee en gaat daar naar binnen. Vervolgens voedt ze zich door de tracheewand te doorboren en het hemolymfe op te zuigen. Via de aldus geboorde gaatjes kunnen helaas ook micro-organismen het hemolymfe binnendringen en kan hemolymfe in de trachee komen.


Met tussenpozen van 1 à 2 dagen legt het tracheeënmijtwijfje 6 tot 7 eitjes die praktisch even groot zijn als zijzelf. De eitjes worden met kleefstof vastgezet tegen de tracheewand. Het ei-stadium duurt 3 à 4 dagen. Uit het ei komt een 6-potige larve, waaruit een 8-potige nymfe ontstaat, waaruit na een vervelling een volwassen mijt ontstaat. Het larve/nymfe-stadium duurt 9 à 12 dagen voor een vrouwtje en 6 à 8 dagen voor een mannetje.


Foto: Ad Staals

Bevruchtte jonge vrouwtjes verlaten de trachee weer, klimmen naar de top van een thoraxhaar en stappen dan over op langskomende bijen. De mijt kan daarbij alleen binnen dringen bij jonge bijen tot 7 à 9 dagen oud.


Na 2 tot 3 generaties van de tracheeënmijt kan de trachee van de bij verstopt raken door de verhardende kleefstof, de uit de boorgaatjes gelopen hemolymfe, vervellingresten en mijten. Aldus wordt de zuurstofvoorziening en de koolzuurafvoer geblokkeerd en gaat de bij ten onder.


Verspreiding

In dode bijen blijft de mijt nog enkele dagen in leven, maar buiten het bijenlichaam kan de tracheeënmijt nog slechts enkele uren in leven blijven. De verspreiding van de tracheeënmijt kan daardoor alleen plaatsvinden door onderling contact tussen bijen. De overwintering en drachtloze perioden zijn daarvoor dus optimaal, en dan is de besmetting door de mijt met de kwalijke gevolgen daarvan dan ook het hoogst. Een volk waarvan 20 - 30% van de bijen geïnfecteerd is met de Tracheeënmijt, heeft een grote kans om in het voorjaar ernstig te verzwakken en te sterven.

In de zomer heeft besmetting van een bij door de mijt daarentegen veel minder snel grote gevolgen voor het gehele volk. Een bij is twee tot drie weken oud voordat er nieuwe bevruchte wijfjes uit de trachee komen. In de zomer is de werkbij dan vaak al een haalbij, en doordat de haalbij veel meer buiten de bijenwoning actief is is de kans op overstappen op een andere werkbij klein. Bij een constant aanbod van nectar en stuifmeel kan het besmettingspercentage dus erg laag worden. In de zomer blijft de groei van de mijtenpopulatie bovendien achter bij de snelle groei van het bijenvolk.

In Nederland en België wordt een besmettingspercentage waarbij problemen optreden overigens zelden bereikt


Ziektebeeld.

Een grote hoeveelheid krabbelaars voor de kast na de eerste reinigingsvlucht.


Maatregelen.

Er is geen specifieke bestrijdingsmethode tegen de tracheeënmijt. Meestal is de toegepaste varroabestrijding ook voldoende om de mijtziekte te voorkomen.


Navigatie