Uitneembare ramen

Uit Imkerpedia
Versie door Albert Stoter (Overleg | bijdragen) op 12 nov 2013 om 11:48

(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

In de literatuur worden beurtelings zowel Petro Prokopovych, Johannes Dzierzon, August Freiherr von Berlepsch als Lorenzo Lorraine Langstroth naar voren gebracht als dé grondlegger van de uitneembare ramen[1].


  • De Roemeen Prokopovych was in 1814 de eerste die ging werken met ramen, en dat alleen nog in de honingkamer. Deze ramen hadden zowel onderling als met de kast veel contact zodat ze door de bijen zowel aan elkaar als aan de kastwand werden vastgekit. De hart op hart raatafstand was ook nog niet goed met warbouw als gevolg. Toch was het in zijn kast al mogelijk om ook onbeschadige raten uit de kast te halen.
  • De Pool Dzierzon (die ook bekend was met in in 1841 verschenen duitstalige artikel over Prokopovych kast [2] ), gebruikte eerst (eveneens door de bijen vastgekitte) ramen in achterbehandelings Klotzbeuten, maar stapte vervolgens over op alleen toplatten in achterbehandelingskasten. Op grond van onderzoek / observatie kregen die toplatten van Dzierzon een breedte van 1 zoll [3], en tussen de toplatten hanteerde hij een afstand van een 1/2 zoll. Aldus bepaalde Dzierzon een hart op hart afstand van 1 1/2 zoll (oftewel van ± 38 mm) en had hij geen warbouw meer. In beide zijwanden van zijn Dzierzonkast bracht hij een groef van 1/4 zoll (± 8 mm) aan waarover de toplatten konden worden geschoven. Vanaf de achterkant van de achterbehandelingskast was het niet buitengewoon lastig om voor het oogsten de zijkanten van de raat van de zijwanden af te snijden. Al met al resulteerde dit dus voor het eerst in een kast met tamelijk gemakkelijk uitneembare raten. Het was wel een nadeel dat als je een raat voorin wilde bekijken, je eerst alle raten achterin moest lossnijden.
  • De Duitser Von Berlepsch verbeterde de kast van tijdgenoot Dzierzon door er ramen in te hangen. Bij de oren waren deze ramen verbreed zodat daarmee de ramen automatisch op de juiste afstand van elkaar bleven. Evenals in de Dzierzonkast rusten de oren in Berlepsch Ständerbeute in een groef. De zijlatten van de ramen zaten echter nog op een te kleine afstand van de zijwand, zodat ze konden / moesten worden losgesneden.
  • De Amerikaan Langstroth was op de hoogte van de werken van Dzierzon (omgekeerd was Dzierzon zelfs in 1878 nog niet op de hoogte van de ontdekkingen van Langstroth [2] ). Langstroth was echter aan het experimenteren met bovenbehandelingskasten waarbij het dus een stuk moeilijker is om de raten van de wanden los te snijden. Langstroth was de eerste die in zijn bovenbehandelings Langstrothkast de bijenruimte overal (met name ook langs de zijkanten van zijn ramen) gebruikte. Bovenbehandeling heeft als extra voordeel dat je elk raam als eerste kunt pakken. Je hoeft niet perse van achter naar voren te werken.


Al met al moeten we toch concluderen dat Langstroth dé grondlegger van de uitneembare ramen is. Alle moderne bijenkasten met uitneembare ramen zijn een variant op de Langstrothkast. Achterbehandelingskasten worden hoe dan ook niet meer stelselmatig gebruikt.


In zijn patenten uit 1852 en 1863 beschrijft Langstroth de bouw de Langstrothkast, maar hij gebruikt daarbij niet het woord 'bijenruimte' (beespace). Hij gebruikt wel de woorden 'Movable frames' (beweegbare ramen), maar dat was een omschrijving die ook tijdgenoten (zoals Edward Bevan) gebruikten voor hun bijenkasten (in geval van de Bevankast met alleen toplatten). Aldus krijgt dit belangrijkste innovatieve aspect van Langstroth's kast in zijn patenten eigenlijk maar heel weinig aandacht. Waarschijnlijk hierdoor werd het belang van deze innovatie ook niet direct herkend. Er wordt verondersteld dat Langstroth dit bewust heeft gedaan om inbreuk op zijn patent te voorkomen. [4]


Pas in 1862 krijgt de Langstrothkast bekendheid in Engeland; en pas in 1869 komt Dadant ermee naar Frankrijk en Italië.


Voetnoten

  1. Vroeg in de 20e eeuw noemde men dit de 'mobielbouw'. Startend in mobielkasten, maar later ook wel (vanuit kostenoverwegingen en wellicht ook nostalgie) in mobielkorven.
  2. 2,0 2,1 Eva Crane. The world history of beekeeping and honey hunting. New York 1999, London 1999, blz 421
  3. het oudduitse 'zoll' is ongeveer evengroot als de oudnederlandse 'duim' en de nog steeds gebruikte engelse 'inch' oftewel ongeveer 2,54 cm
  4. Gene Kritsky. The Quest for the Perfect Hive: A History of Innovation in Bee Culture. New York, 2010