Raat: verschil tussen versies

Uit Imkerpedia
Ga naar: navigatie, zoeken
k
k
Regel 18: Regel 18:
 
De bijenhouder bootsts dit afstoten van oude raten na via het toepassen van enige vorm van [[raatvernieuwing]].
 
De bijenhouder bootsts dit afstoten van oude raten na via het toepassen van enige vorm van [[raatvernieuwing]].
  
Een en ander betekent echter niet dat de bijenhouder elke raam dat de bijen niet meer direct nodig hebben (zoals een [[Honing slingeren|geslingerd]] honingraam na afloop van de [[dracht]]) moet weggooien. Overtollige, maar nog niet bebroede, ramen met bijenraat kunnen met enig beleid worden [[Het opslaan van bijenraat|opgeslagen]] en hergebruikt. Dat scheelt het ontvangende bijnvolk dan veel energie die dan niet in de ratenbouw, maar in de grootte van het volk of in de honingopbrengst kan worden gestoken.
+
Een en ander betekent echter niet dat de bijenhouder elke raam dat de bijen niet meer direct nodig hebben (zoals een [[Honing slingeren|geslingerd]] honingraam na afloop van de [[dracht]]) moet weggooien. Overtollige, maar nog niet of nauwelijks bebroede ramen kunnen met enig beleid worden [[Het opslaan van bijenraat|opgeslagen]] en hergebruikt. Dat scheelt het ontvangende bijnvolk dan energie die niet in de ratenbouw hoeft te worden gestoken, maar in plaats daarvan in de grootte van het volk of in de honingopbrengst kan worden gestoken.
  
  

Versie van 25 okt 2013 om 14:24

Dwarsdoorsnede van een stukje raat met bijenlarfjes.

Bijenraat bestaat uit een middenwand met haaks daarop aan beide zijden cellen in een zeshoekige vorm, en wordt door de bouwbijen (met behulp van hun bovenkaken[1] en hun poten) gemaakt met bijenwas.

De raat dient als kraamkamer voor het broed of als opslagplaats voor honing of stuifmeel. Cellen met rijpe honing of poppen worden afgesloten met een wasdekseltje.

Bij natuurbouw zijn de bovenste cellen in een raat groter zijn dan de cellen onderin[2].

Er bestaat daarnaast een onderscheid tussen werksterraat en darrenraat. Onder bepaalde omstandigheden zijn er op de raat tijdelijk ook nog moerdoppen of redcellen aan te treffen.


Steeds oudere, steeds donkerdere raat.

Verse raat is wit. Later wordt het geel, en nadat er een flink aantal malen broed in heeft gezeten wordt de raat steeds donkerder bruin van kleur. Dit komt doordat elke uitlopende bij een dun vliesje van de verpopping achterlaat. Bovendien wordt het celletje voorafgaand aan het volgende gebruik met behulp van propolis weer proper gemaakt. Hierdoor worden de cellen niet alleen steeds donkerder, maar uiteraard ook steeds kleiner. Tussen die alsmaar toenemende laag vliesjes kunnen zich ook steeds meer potentiële ziekteverwekkers ophopen. Zonder ingrijpen van de bijenhouder resulteert dit in steeds kleinere bijen en bijenziekten.

In de natuur wordt dit opgelost doordat de volken kunnen kaalzwermen (alle bijen gaan dan met de laatste nazwerm mee). De te slechte kwaliteit van de raten kan zelfs de reden zijn tot trekzwermen[3].

De achtergelaten raten worden opgepeuzeld door de larven van de wasmot waarna weer een mooie schone holte resteert voor een eventuele volgende bijenbewoning.

De bijenhouder bootsts dit afstoten van oude raten na via het toepassen van enige vorm van raatvernieuwing.

Een en ander betekent echter niet dat de bijenhouder elke raam dat de bijen niet meer direct nodig hebben (zoals een geslingerd honingraam na afloop van de dracht) moet weggooien. Overtollige, maar nog niet of nauwelijks bebroede ramen kunnen met enig beleid worden opgeslagen en hergebruikt. Dat scheelt het ontvangende bijnvolk dan energie die niet in de ratenbouw hoeft te worden gestoken, maar in plaats daarvan in de grootte van het volk of in de honingopbrengst kan worden gestoken.


Gerelateerde informatie


Voetnoten

  1. Onze honingbij heeft nauwelijk een onderkaak die bovendien is vergroeid met de onderlip om samen de slurf te vormen. Zie de anatomie van onze honingbij.
  2. http://beenatural.wordpress.com/observations/natural-comb/
  3. Trekzwermen komen bij onze noordelijke ondersoorten echter veel minder voor dan bij de zuidelijker ondersoorten van onze Apis mellifera.